woensdag 27 februari 2008

Canon (reli / kerkgeschiedenis)

vrijdag 6 april 2007

Gisteren rolde, digitaal, weer es een canon bij mij binnen. Een religiehistorische ditmaal. In 25 ‘vensters’ krijgen we zicht op belangrijke elementen uit de religieuze wordingsgeschiedenis van Nederland. Hieraan hebben enkele tientallen (kerk)historici meegewerkt, op uitnodiging van Volzin, een blad voor geloof en samenleving. Er is één eindredacteur: kerkistoricus Willem van der Meiden.

En - is het nog wat?

Jazeker. Oordeelt u zelf, op basis van de drie korte teksten die betrekking hebben op de ‘lange’ achttiende eeuw:


’13. In 1663 wordt het manuscript voltooid van Ethica More Geometrica Demonstrata van Baruch de Spinoza (1632-1677), lenzenslijper te Rijsburg. Spinoza is in de ban gedaan door de synagoge in Amsterdam om zijn verlichte denkbeelden en symbool geworden voor de radicale Verlichting, radicaler dan die uit Frankrijk (volgens Jonathan Israel). De Verlichting wordt in Nederland in de 18de eeuw in de heersende theologie verdisconteerd, maar dat heeft met Spinoza niet zo veel meer te maken. Volgelingen van Spinoza hebben het aanvankelijk zwaar, ze worden gedetineerd of als predikant afgezet. ‘Spinozist’ kun je in die dagen beter niet zijn.

14. In zijn postuum verschenen prekenbundel Des Christens eenige troost in leven en sterven (Middelburg 1747) bestempelt de Zeeuwse predikant Bernard Smytegelt (1665-1739) het ‘stelen van eenen mensch’ als ‘grove diverije’. Smytegelt vindt dat de slaven ‘dieffelyk ontstoolen’ zijn uit hun land. Smytegelt is behalve activist tegen de slavenhandel een van de bekendste vertegenwoordigers van de Nadere Reformatie, een zeer Nederlandse variant van bevindelijk protestantisme (later piëtisme genoemd) die zijn wortels heeft in de theologie van Gisbertus Voetius (1589-1676). Eveneens postuum verschijnen van Smytegelt preken over het ‘Gekrookte Riet’, Matteüs 12, vers 20 en 21.

15. De eerste Nederlandse Grondwet, die van 1798, is meteen de meest radicale: de Staatsregeling van de Bataafsche Republiek, die het slechts drie jaar uithoudt en op het punt van godsdienstvrijheid pas weer geëvenaard wordt door Thorbeckes Grondwet van 1848. ‘Elk burger heeft vryheid, om god te dienen naar de overtuiging van zyn hart. De maatschappy verleent ten dezen opzigte aan allen gelyke zekerheid en bescherming, mids de openbaare orde door de wet gevestigd, door hunnen uiterlyken eerdienst nimmer gestoord worde. Geene burgerlyke voordeelen of nadeelen zyn aan de belydenis van eenig kerklyk leerstelsel gehegt.’ Zo luiden artikel 19 en 20 van deze grondwet, die in Nederland de scheiding van kerk en staat doorvoert.’


Kijk, zo moet het dus. Werkelijk belangrijke zaken; die haast onverkort in de ‘algemene’ canon zouden kunnen worden overgenomen. Glashelder: het binnendringen van redelijkheid (Verlichting); het geloofsleven bij een belangrijk deel van het gewone volk; de (tot nu toe onvolledig gebleven) scheiding van kerk en staat.

Dit is heel wat anders dan het pseudo-didactisch geklungel van de commissie-Frits over theeleuterij, buitenhuizen, en de spoortreintjes van Eise Eisinga. Ik weet niet of deze canon voor de scholen bedoeld is, maar het lijkt me heel bruikbaar om nu nog steeds hete kwesties met deze canon te lijf te gaan.

Blijkbaar hebben de kerkhistorici meer talent voor dit soort dingen dan onze gewone historici. Mogelijk hebben zij beter zicht op wat er in het verleden speelde.

Geen opmerkingen: