woensdag 27 februari 2008

Slavernij bij Wolff/Deken (1795)

donderdag 5 april 2007


In aansluiting bij het in deze site opgemerkte op 14 februari 2007, binnen een wat lichter kader, over de slavernij en het blijven bestaan / de bestrijding daarvan tijdens de Verlichting, in het onderstaande een onbekend stukje over slavernij.

Het fragment komt uit een vrijwel onbereikbare tekst; er zijn nog maar enkele exemplaren van de druk over. In hun Geschrift eener bejaarde vrouw (1802) vertellen de schrijfsters Wolff en Deken over de opvoeding van het jonge meisje Mietje, vanaf haar geboorte tot haar volwassen-worden. Die opvoeding gebeurt in een christelijk-verlichte sfeer. Mietje leert door ervaring, overtuiging; zij mag niets overnemen tenzij zij een waarheid inziet.

Het is het laatste boek van de schrijfsters. De tekst dateert van rond 1795. Het stukje komt uit deel I (p. 235-245).

Deze tekst heeft de vorm van gesprekken. In de volgende passage ontmoet men vader, moeder, Mietje zelf, en haar vriendin Coosje. Mietje is een jaar of twaalf oud. Op een gegeven moment komt slavernij ter sprake.

Misschien merkt men op deze manier hoe in een fictief maar opvoedkundig bedoeld geschrift, verlichte auteurs in ons vaderland het verschijnsel slavernij bestreden. Het is maar een voorbeeld...


MOEDER. Als ik mij bepaal op den tegenwoordigen toestand van Frankrijk, denk ik altoos aan deeze woorden van JACOBUS: “Weent gij rijken over de ellenden, die u zullen overkomen; uw goud en zilver is verroest, en die roest zal tegen u getuigen, en zal uw vleesch als een vuur verteeren! Het loon der werklieden, die uwe landen bearbeiden, en die gij verkort hebt, roept tot GOD.”
COOSJE. Ik begrijp niet, hoe menschen, die zulke plaatsen der heilige schrift kennen, volharden kunnen in zulke ondeugden, als daar worden opgenoemd.
VADER. Dat wij dit niet kunnen begrijpen, is een groot geluk voor ons: maar, mijne kinderen, de opvoeding, de voorbeelden, de omstandigheden, hebben zo veel invloed op onze denkwijze. Voorspoed maakt doorgaans ligtzinnig. De ligtzinnige denkt nooit, des ook niet aan de nadeelen, die hij anderen veroorzaakt. Hij is in deezen gelijk aan de jeugd, die in gezondheid zelden aan den dood denkt. Hoe zouden anders beschaafde menschen, ik wil niet eens zeggen christenen, immer deel kunnen neemen in den verfoeilijken slaavenhandel.
IK. Weet gij nog, COOSJE, dat, toen wij voor de eerste maal in de historie van JOZEF laazen, dat men menschen verkogt, wij het niet konden gelooven, maar aan onze moeders gingen vraagen? Toen die ons zeiden, dat dit zo was, konden wij ons niet genoeg verwonderen.
COOSJE. Ja, zeer wel weet ik dat nog; maar toen wij hoorden, hoe gruwzaam de slaaven in Oost en Westindien gehandeld worden, schreiden wij uit medelijden.
MOEDER. Niet slegts Europeaansche volken, die de vrijheid niet kennen, drijven deezen snooden handel; neen, ook zelf de inwooners van een land, wier voorvaders tagtig jaar om hunne vrijheid streeden!
VADER. Eene onzen dichtressen plaatste in een dichtstuk de volgende regels, over dit onderwerp. Zij maakte daar juist niet zeer haar hof door, bij de menschenkoopers, doch zij moest, zegt zij, haare verontwaardiging ééns wat lugt geeven. Haar afgrijzen van wreedheid en gierigheid deedt haar vergeeten, dat ook veelen in haare famille daar aan schuldig staan. Uwe moeder zal die regels wel eens opzeggen, ik weet, dat zij die kent.
MOEDER. Gaarn; zie hier het Fragment.

[volgt een ontzettend lang gedicht]

IK. Dat is ijsselijk! evenwel, wie, die een gevoelig hart heeft, kan de dichtresse laaken?
VADER. ’t Zijn deeze ongelukkige menschen, die ons duizend onnoodige dingen bezorgen; onze geliefde coffij en suiker, en veele producten, die gij niet bij naame kent, en die wij, om gezond en gelukkig te leeven, niet behoeven. De natuur geeft ieder land, deszelfs inwooners, alles, wat zij ter verkwikking en voeding noodig hebben.
IK. Nu, vader, ik zou wel willen aanneemen, om nooit meer een stukje suiker te eeten, zo ik daar door deeze arme menschen konde bevrijden: maar al dagt ik nu al eens zo redelijk, zouden anderen dit ook denken? Zo niet, wat zoude het hen baaten?
VADER. Niets in ’t minste! Deeze denkwijze moet eerst algemeen zijn; ten ware, dat GOD de wensch der dichteresse verhoorde! Behandelde men de Negers overal zo, als in Pensilvaniën, dan zouden wij alle de Westindische producten met een gerust gemoed kunnen gebruiken.
MOEDER. De volgende regels, uit datzelfde dichtstuk, zullen u een denkbeeld geeven, hoe zij daar behandeld worden.

’k Zoek troost in ’t weelig oord van Penn.
o Vreedzaam Pensilvaniën!
Daar wijze deugd het volk geleidt,
Geen slaaf zijn deerlijk lot beschreit.
Maar vindt in zijnen heer zijn vriend,
Zijn vader, dien hij dankbaar dient;
Wat strekt gij ’t Christendom tot eer!
Gij, die getrouw de zeedeleer
Van onzen meester steeds betragt,
Uw medeschepsel nooit veracht,
Om dat het ongelukkig is;
Maar handelt met een’ deerenis
Een’ goedheid, uw beginsels waard.

VADER. Het is nog niet genoeg, deeze arme menschen te mishandelen, men lastert hen ook nog. Men geeft hen niet slegts alle de ondeugden der Europeaanen, maar betwist hen ook de minste vonk van rede en menschelijkheid. Men geeft hen plaats bij de dieren. Dit is laster. Het zijn menschen zo als wij; want als zij in goede handen vallen, als zij met zagtheid bestuurd en onderweezen worden, ontdekt men proeven dier volmaaktbaarheid, die den mensch zo sterk karakteriseert. Dit getuigen alle verstandigen, die hen met bedaardheid waarneemen; zij staaven dit door treffende voorbeelden. Zij zeggen: “de Negers zijn verwaarloosde groote sterke kinders, en even zo vatbaar voor onderwijs.” Als hunne meesters hen wel behandelen, zijn zij zo dankbaar, zo getrouw, dat zij onze huisbedienden verre overtreffen! Alle hunne gebreken, de luiheid, de onmaatigheid, hunne domheid, zijn de vrugten der wreede slaavernij. Dit, mijne kinderen, kan u niet verwonderen, zo dra gij kunt begrijpen: “dat slaavernij dermaate strijdt tegen onzen aanleg als menschen, dat zij onze natuur geheel omkeert; en wel eens geen de minste ruïne daar van overlaat.” Zij verstikt de eerste kiemen der deugd. Slaavernij knakt het verstand, en trapt ook de geringste vonk van vernuft geheel uit; de slaavernij ontsteelt de rede, en wat is zonder haar den mensch!... In alle landen, daar de slaavernij heerscht, vindt men dit altoos bevestigd. De vrijheid alleen leidt den mensch op tot zijne bestemming. Zij ontwikkelt alle zijne deugden, alle zijne begaafdheden; zij verheft, zij verädelt hem. Want zij doet den mensch zijne eigene waardij door zijn geheel weezen gevoelen. De vrijheid maakt hem met zijne natuurlijk en burgerlijke voorrechten bekend. Zij ontgloeit zijnen moed, zij vermeerdert zijne kragten; hij durft, hij kan des zijne rechten handhaaven. Om haar, versmaadt hij het laag kruipend, bekrompen, kwalijk begreepen zelfsbelang. Hij ziet weelde, pragt, overdaad, alle gemakken des leevens beneden zig. Hoe gevoelig, vreest hij echter geene smarten, geen hoon, geene bespotting; en hoe dierbaar hem het leeven zij, hij offert het aan haar op, terwijl hij zijne beulen te veel veracht, om hen iets te antwoorden. Vrijheid alleen vormt waare helden: uw Vaderland en haare bondgenooten, de braave Zwitzers, hebben dit getoond.
Wat moet men denken van de Engelschen, die zo zeer stoffen op hunne vrijheid, en wat van veelen onzer landgenooten, als wij zien, dat zij zo al geene menschen-beulen, ten minsten menschen-koopers zijn?
IK. (driftig.) Ik zou zeggen: “gij zogenaamde vrienden der vrijheid handelt regtstreeks tegen uwe eigene beginsels aan. Gij zijt des of gek, of ondeugend.”
VADER. Gij zoudt u beschaafder kunnen uitdrukken, en men zoude u even goed verstaan. Dit is echter niet te ontkennen, dat men niemand kan achten, die, om zig te verrijken, een menschen-kooper wordt! Braave gevoelige burgers, zo wel in Engeland, als bij ons, hebben veele middelen voorgeslagen, om het lot der Negers min afschuwlijk te maaken; geen’ zijn nog ter uitvoer gebragt. Men heeft zelf een wetboek voor hen opgesteld, billijkheid en menschenliefde straalen ’er in door: evenwel, als men de zaak aandagtig beschouwt, is het, als of men, een mensch door list of geweld gedwongen hebbende slaaf te worden, zig volgens deeze wetten verpligt, hem niet erger dan een lastbeest te behandelen. Een heerlijk voorrecht inderdaad! En wie zal zorgen, dat deeze wetten worden uitgevoerd? Kan men zo dwaas zijn, van te denken, dat zij dit doen zullen, die de magt in handen hebben, en deeze wetten weinig rekenen? Als men weet, wie het doorgaans zijn, die naar America gaan, en met welk oogmerk, dan is daar geen hoop altoos toe.
MOEDER. Durf ik het waagen, hier bij te voegen, dat veele volken slaaven maaken, onder het voorwendsel, om die te bekeeren to het Christen geloof? Ik zie, mijne kinderen, dat gij elkander verwonderd aanziet. Dit kan niet anders! Gij denkt: “de Christelijke godsdienst handhaaft de rechten van den mensch; leert liefde en mededoogen; hij eischt rechtvaardigheid.” Ja, maar eischt ook gelijkheid; niet in de bezittingen. JESUS, was veel te groote wijsgeer, hij kende den mensch te wel, om dit tot eene wet gemaakt te hebben. Maar die gelijkheid, die GOD ons gaf, en ’t geweld alleen ons kan ontrooven. Slaavernij en Christelijke godsdienst zijn zo strijdig met elkander, dat geen Christen een slaaf hebben mag, of zig tot slaaf verkoopen. Alles, wat het vernuft daar tegen praat, doet bij de rede niets af.
VADER. Ik begrijp wel, dat zij, die nooit aan hunne pligten denken, dien schandelijken handel drijven kunnen. Ontschuldigt hen dit? Geensins. Zij hadden, met weinig aandagt, hunne pligten kunnen zien; kunnen opmaaken, dat geen mensch het recht kan hebben, zijn mede mensch te koopen, wijl hij zelf, die zig verkoopt, over zijne vrijheid niet kan beschikken. De vrijheid is een onvervreemdbaare schat. Wij mogen ’er even weinig over beschikken, als over ons leeven. GOD geeve, dat zij, die zig door deezen handel verrijken, nog eens, voor het te laat zij, mogen zien, hoe misdaadig zij voor Hem zijn, die de vader aller menschen is! Zij zijn aanspreekelijk voor de barbaarsche mishandelingen, die hunne bedienden den slaaven aandoen. Ik zal mij wel wagten, u die te verhaalen.
Mijne moeder ziende, dat COOSJE en ik zeer waren aangedaan, nam hier uit geleegenheid, om ons deeze vermaaning te geeven: “maakt, zeide zij, toch altoos een huishoudelijk gebruik van uwe tedergevoeligheid, die, wel geleid zijne, de schoonste trek der menschelijke natuur uitmaakt; eene ongevoelige vrouw is een monster.” Het menschelijk leeven is omzet door tegenheden en smarten. ’Er zijn zelf menschen, wier geheele leeven lijden is! Zo men zig gewent, over iedere kleine onaangenaamheid, iedere ligte onpasselijkheid, te klaagen, of traanen te storten, dan maakt met zig onnut voor zig zelf, en lastig voor anderen; men moet zig in staat houden, om ons medelijden met anderen te doen werken.

Geen opmerkingen: