vrijdag 2 maart 2007
Het is even doorbijten misschien, maar zo schrijven massa’s bevindelijker protestantse gelovigen in de achttiende eeuw. Geertje Raaphorst begint aldus, op 7 november 1742, een brief aan haar predikant, Van der Groe, en aan diens vrouw:
‘Zeer waarde vrienden, wien ik van harte wensch dat die Sonne der geregtigheid over u alle zoo mag opgaan, dat gij genesinge vindt onder de schaduwe zijner vleugelen. Waarde leeraar, onder wiens dienst ik lang geweest ben, en veel reden onder malkanderen verwisseld hebben, door de toelatinge van het bestier des Heeren, zolang het Hem behaagd heeft om een scheidinge te maken, en ons elk te plaatsen na zijn wil en raad, zoodat de scheidinge nu soo groot is, dat wij malkanders aangezigte niet en zien, en niet mondeling met malkander spreken kunnen om te vertellen waarin en waardoor wij onszelven al leeren kennen, hoe diep en ellendig en doodelijk onmagtig wij zijn ten goede, als een noodzakelijk gevolg van de vrije genade Gods die uit Christus door den Heilge Geest voortvloeyd, waardoor Jezus moet wassen, en wij hoe langer hoe minder worden, tot wesentlijke verootmoedigingen des harten. O een dierbare gestalte daar de ziele bij leven kan.’
Dat is alleen maar het begin van een lange brief, afgedrukt (p. 185-186) in het zojuist verschenen:
John Exalto en Fred van Lieburg (red.), Neerlands laatste ziener. Leven en werk van Theodorus van der Groe (1705-1784). Rotterdam 2007.
De stijl van geciteerde brief is half paulijns, half piëtistisch; en gunt ons een blik in een milieu dat ten onrechte veronachtzaamd wordt. Op dit terrein wordt de laatste vijftien jaar echter behoorlijk wat werk verzet door de werkgroep ‘Nadere Reformatie’. Deze bundel artikelen laat iets zien van de opvattingen van Van der Groe over de (nabije) eindtijd, en over de wijze waarop en waardoor vastgesteld kan worden dat iemand inderdaad tot de uitverkorenen behoort. Het is misschien noch uw, noch mijn kopje thee. Maar dit milieu moet u kennen wilt met enige vrucht, zeg, Wolff en Deken lezen.
Een aardig artikel in deze bundel is dat van Peter Altena (regio Groesbeek) die laat zien dat de Groe-ianen in eigen kerk ook wel eens de wind van voren kregen; bijvoorbeeld in de Kralingiana, een niet van talent ontbloot periodiek werk uit de kring van de bekende dominee Hofstede.
Een meer buitenissig artikel daarentegen is dat van Leendert Groenendijk die een pychologische verkenning doet naar het karakter van Van der Groe, en daarbij belandt in allerlei psycho-analytische opmerkingen over de bij die man aanwezige castratie-angst, en wat al niet. Het zou kunnen. Maar wanneer Herkauwer naar de geraadpleegde literatuur kijkt, zoals het p. 106 genoemde werkje van Citroen, uit 1939 (!), Kinderpsyche en opvoeding volgens psycho-analytische opvattingen - dan beginnen bij hem onwillekeurig toch gedachten op te komen over mannen die mogelijk ooit opgeleid zijn op een, vlak na de tweede wereldoorlog, beslist voorlijke christelijke Pabo in Emmercompascuüm; maar die nog niet weten dat Sigmund heel erg dood en begraven is.
Hoewel... met een psycho-analytisch catechismusje in de hand kom je bij de heer Paulus van Tarsus misschien toch een heel end. Doen?
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten