woensdag 27 februari 2008

Roomsen en Republiek: Wolff/Deken (1795) 2

donderdag 1 maart 2007

Vervolg en slot van het fragment uit het manuscript in een eerdere aflevering genoemd.

VADER. Uw iever, mijn vriend, is zo groot dat gij, vergeef mij dit, niet zo wel geredeneert hebt als gij gewoon zijt over allerlei gewichtige onderwerpen te redeneren.
DE HEER BERK (glimlachend) ’t Is niet onmogelijk dat gij min of meer gelijk hebt. Mogelijk heeft mij mijn oordeel niet vrij genoeg gelaten; niet nu, nu ik over dit spreek, maar ook zo dikwijls ik over dit stuk ernstig dagt. Ik zal met genoegen hooren waarom ik naar uw inzien dwaal en gij kent mij al te wel dat het nodig zijn zoude, hier bij te voegen dat ik de waarheid te zeer bemin om mij niet door haar, zo dra zij mij behoorde te overtuigen, te laaten overtuigen.
VADER. Daar van, mijn waardste BERK, ben ik door eene veeljarige intime verkeering gerust. Laaten wij nu zien of ik in staat zijn zal u tot mijne gedagten te brengen want ik betuig u dat ik dit onderwerp uit een geheel ander gezicht punt zag; zo dikwijls ik daar ook om gedagt heb. Ik zal mij op uw voorbeeld bij die kerk bepalen, die het meeste rede tot misnoegen heeft, en dit doe ik te eerder, wijl ik geloof dat in den loop der waereldsche zaken, en de menschen genomen zijnde zo als zij zijn, het bij naar zeker zo is: “Hij die de magt heeft gebruikt, of liever misbruikt die.” Dat om die rede de overige Leden nogal wel te vreden behoorden te zijn, om dat het niet erger gaat. Als wij dat stuk eens met meer bedaartheid onderzoeken, en uit verscheiden oogpunten beschouwen, zullen wij mogelijk meer voldaan zijn kunnen over die schikkingen der Hooge Regeering, die u zo zeer mishaagt. Eerst zal ik mij een oogenblik ophouden bij het vrij oefenen van den Godsdienst; ’t welk de Roomschen in het XII Jaarig bestand gesloten, met den Aards Hertog 1609 geweigert wierd. Deeze weigering moet, oppervlakkig beschouwd, ten uiterste vreemd voorkomen. Maar, als men overweegt in welk een zwakken toestand de Republiek zich toen bevond; met hoe veel moeite men haare onafhangelijkheid, nog uitgedrukt in zeer dubbelzinnige bewoordingen, den Spaansche magt had moeten afpersschen; zou dit vreemde dan niet wel wat afnemen? Vader BARNEVELT, en zij die waardig waren met deeze groote man de vrijheid te handhaven, wisten bij ondervinding hoe onstuimig en toomeloos het volk was! Zij kenden de Predikanten en de Roomsche Geestelijken dóór en dóór. Zij kenden de diep ingewortelde, en door deeze mannen zorgvuldig aangewakkerden haat, ten minste afkeerigheid der strijdende partijen. De Roomsche Burgers, waren ontegenzeggelijk de grootste in getale, en hunne Godsdienst, dit wisten zij ook, was vervolgziek, uit, daar let men niet genoeg op, uit principe. Hierbij kwam nog, dat zij zeer veel te wreken hadden, men hadt hen duizend mishandelingen aangedaan, hunne kerken verwoest, hunne beelden verbrijzeld, hunne Priesters en Monniken verjaagd, en alle de zo genaamde geestelijke goederen verbeurt verklaart ten voordeele der Republiek. Zouden zij nu het verkrijgen der vrije Godsdienst oefening den Spanjaarden te danken hebben, hoe natuurlijk was het dan te verwagten, dat zij deeze hun weldoeners dankbaar zijn zouden, al was het ook ten bederve van hun eigen vaderland. En zouden de Staaten hunne ieverigste, hunne allertoegenegenste Burgers, die te veel in begrippen van de Roomschen verschilden, en te veel van hunne Partij geleden hadden, om zeer verdraagzaam te kunnen zijn, niet door zo veele vrijheid aan hunne vijanden te geeven; dus niet van zich, in dat gevaarlijk tijdperk, van zich vervreemd hebben? Of konde een vrije Republiek, de bestelling omtrend den Godsdienst, dat dierbaar voorrecht! overgeven? Wat waar dit anders dan zich door hoogmoedige, verbitterde vijanden, de wet te laaten stellen? Hebben de Staaten ook niet kort daar na uit eigen overweging gewillig gegeven, het welk zij om gewichtige rede zich niet konden, (maar ook niet behoorden,) laaten afdwingen? Hebben de Roomsche ingezetenen deeze vrijheid van Godsdienst niet onverminderd genooten? Eene vrijheid die zij ware de magt in hunne handen geweest, nooit konden en uit contentieuze begrippen begrippen niet mogten geven aan Gesintheden die met hen te zeer verschilden? Dat ik niet te veel onderstel zal mij ieder moeten toestaan, die weet hoe het altoos gegaan is, en nog blijft gaan in die Landen, en Rijken daar de Roomsche Godsdienst van den Staat is. Hebben de Roomsche Burgers niet onverhinderd de zelfde vrijheid onbelemmerd genooten, die men ook aan zulke Gesintheden die veel minder afwijken van de Calvinistische Kerk toestond? Ja die deeze Gesintheden zo lang en zo onrechtvaerdig geweigerd is! Indien wij over dit ons onderwerp eene verhandeling wilde schrijven hoe oneindig meer zoude men hier nog kunnen bij voegen, en dat alles ter zaake! Doch wij spreken daar slegts over in ’t voorbijgaan, en onder elkander in vertrouwen. Dit kunnen wij niet ontkennen: “Een Republiek gegrond op gelijkheid en rechten, sluit eene Dominante kerk uit;” zo dra de voorzichtigheid dit niet ter haarer instandhouding volstrekt vorderd, zo dra men in meer bedaarde en meer verlichte tijden genadert is. Alle de Leeraars van alle Gesintheden moeten de zelfde voorrechten de zelfde vrijheden genieten. De Republiek moet of geene of alle Leeraars uit ’s Lands schatkist betaalen. Hierin mijn waarde BERK zijn alle menschen, bekwaam over dit stuk te denken en te oordeelen, het volstrekt eens.
Mijn vader zweeg; mijne moeder zeide het volgende: “De groote vraag en van wiens beslissing alles dunkt mij afhangt, blijft dan deeze: Kan een Republiek met de vrije oefening van den Roomschen godsdienst bestaan? Is de Godsdienst voor haar berekend? Is vrijheid van Godsdienst, met gemoedelijk vervolgen om den Godsdienst, overëen te brengen? Kan men, als men het hoogste gezach over alles toeschrijft aan den Bisschop van Rome, getrouw zijn aan de wetten eener vrije en afhangelijke Republiek?”
VADER. Ik vraag nog meer: Kan eene Kerk, die tot een Geloofsch artikel gemaakt heeft: Buiten de Roomsche Kerk geene zaligheid, ooit in vreede leven met allen die zij als verdoemden beschouwt? Moeten haare ware Belijders niet volgens hunne eigen beginzels de verlichte wijsgeeren, zo gevaarlijk voor de kerk! niet haaten, en zo veel hunne magt dit toelaat, vervolgen? Is het geene gewetens zaak bij de Priesters, die vervolging te wettigen, ja zeg verdienstelijk te maken, wijl men altijd verbonden blijft die Kerk te handhaven? Ontstaat die geest der Vervolging bij hen alleen uit temperament? uit drift, uit haat? Voor zo verre ik zie, is het zelf bij de zacht aartigsten, de menschlievendsten, een zaak van Geweten; kunnen zij ooit verder getrouwheid aan hun Vaderland beloven, dan voor zo verre hun geweten dit toelaat, en is het echter hun geweten niet, die hen, in de meeste gevallen het gehoorzaam zijn aan de wetten, op straf der eeuwig verdoemenis, verbied? De Overheid, zegt men, moet en kan hen vrijheid geven tot het Leeren hunner gevoelens, tot het verrichten hunner plechtigheden, mids dat zij de godsdienst oefening van andere Gesintheden niet stooren; en aan die geen aanstoot geven? Maar, een der gewichtigste Leerstukken der Roomsche Kerk beveelt juist dat storen; het verdelgen van alle Godsdiensten strijdig met haare stellingen. Haare plechtigheden moeten aanstoot geven aan elk die redelijk denkt, en, waar zij niet heerscht, die bloot stellen, aan de bespotting, en beleediging van een onbeschaafd, onkundig gepeupel; dat óók waant voor zijnen Godsdienst te ieveren als het zulke ommegangen uit elkander jaagd en priesters en munniken verguisd; of ook misschien daer Welgezinde Regeeringen in Protestantsche Landen zijn verpligt (immers naar mijn inzien) het Bijgeloof te wederstaan; moet niet dulden dat men de willekeurige plechtigheden van den Godsdienst tot in het oneindige vermenigvuldigt. En waarom? de rede is zeer klaar, om dat zij deugd meest nadeelig zijn. Geen Republiek kan in stand blijven zonder deugd en goede zeden. Wat men ook voorgeve, de burgerlijke deugden, de heiligste pligten der Maatschappij zijn nooit in veiligheid indien men den Oorsprongelijken Christelijken Godsdienst niet te hulp roept. De meenigte zo wel als den luister en pracht der Plechtigheden, zijn zeer nadeelig aan dien eenvoudigen zuiveren Godsdienst. Zij leiden de aandagt af van zijne heilige bedoelingen. Zij werken alleen op de zinnen en op de verbeelding, doch laaten de gebreken van het hart onaangeroerd. Alle wetten, die het geen onverschillig is tot wezenlijkheid maken, maken het wezenlijke onverschillig. Men wendt vóór, dat de plechtigheden moeten ingericht zijn naar de grootheid van dat WEZEN ’t welk men eere wil aandoen... Ik geloof dat het niet noodig zij, hier iet omtrend aantemerken. Want het denkbeeld dat de Eeuwige Geest, kan gedient worden door pracht en vertooning is zo ongerijmt dat het geene wederlegging waardig is.
In deeze gesteltheid der dingen blijven ’er, zo als het mij toeschijnt maar twee middelen voor de Bestuurders eener Democratische Republiek over. Zij moeten de magt der Roomsche kerk zo verstandig bepaalen, dat zij daar van niets hebben te duchten. Zij moeten der zelver belijders verpligten om ’s Lands wetten als de hoogste te eerbiedigen; en in gevalle zij, door hunne daaden, overtuigend, toonen, dat zij hooger meer verbindende wetten volgen, hen straffen als slegte Burgers, die het er op toeleggen, om hun Vaderland te bederven. Dit is geen vervolgen; dit is de wetten handhaven. Het tweede middel bestaat hier in: zij moeten hen die er zich op toeleggen het volk te leeren, en te verlichten, met vereerende onderscheidingen behandelen en door hun eigen wandel het voorbeeld geven van alle die deugden, die met het behoud des Vaderlands in de allernaauwste betrekking staan. Daar nu de waardigste Protestanten, bijnaar twee eeuwen aan de verlichting des verstands gearbeid hebben, aan het onderwijzen der Euangelische plichten, is het wel te vermoeden dat zij zich hier door agting en genegenheid bij hunne Roomsche medeburgers zullen verkregen hebben. Het is des niet onmogelijk dat eenigen, door het lezen zulker schriften, door vertrouwelijke gesprekken, eenigen invloed krijgen op de denkwijze der welmenenden; maar helaas nog onkundigen, die den Roomschen godsdienst belijden. Terwijl de Protestanten van hunnen kant, meer dan ooit overtuigt zijn van hunne verplichting tot verdraagzaamheid, en meer dan ooit afkerig worden om een mede mensch liefdeloos te beoordeelen. Welke aangename gevolgen moet dit voortbrengen en hoe veel zal den Staat daar door winnen? In een Land van Koophandel en Fabrieken hebben de Ingezeten de meeste gelegenheid om elkander te leeren kennen. Hunne belangens zijn zo door elkander gevlochten, dat zij geduurig elkander noodig hebben. Dit brengt hen te zamen en weldra worden door vermaken en uitspanningen de banden der gezelligheid toegehaalt. Men begint zich aan te merken als een gehéél. Men ontdekt wederzijds deugden die men niet vermoedde; bekwaamheden die men niet verwagtte. Men bewijst en ontfangt liefde diensten, en ik herhaal het, door dit alles ontfangt den Staat uitmuntende voordeelen. Zij beoordeelen dan ook elkander meer naar hun hart, dan naar hunne Leerstelzels. De meeste Roomschgezinden zeggen, ieder moet in de kerk blijven waar in zij gebooren wierd. Dit, ik beken het, doet even weinig oordeel blijken als Buiten de Roomsche Kerk geene zaligheid, maar het is echter noch gevaarlijk voor den Staat, noch nadeelig aan de Burgerlijke eensgezindheid.
Ik heb aan zeer veele Roomschen als ik met hen bedaard sprak, gevraagd: Gelooft gij waarlijk dat die en deeze en nog een ander (die ik dan noemde) indien zij nu kwamen te sterven, eeuwig verdoemd zijn zullen, en kreeg altoos ten antwoord: “GOD beware mij daar voor! Zouden deeze braave menschen niet zalig worden; dan komt er niemand in den hemel.” Als ik dan zeide, in dit geval zijt gij niet Roomsch.” - “Ik niet Roomsch, niet Roomsch Catholiek; wel ik hoop in deze Leer te leven en te sterven.”
MOEDER. Het Leerstuk, Buiten de Kerk gene zaligheid, is thans bij veele Roomschgezinden gelijk aan eenige onzer Wetten die men juist wel niet vernietigt, maar die van geen verbindende kragt meer zijn, en bij nog veel grooter aantal geen gewicht genoeg meer hebben om daar op vervolging te bouwen. Een Leerstuk even ongegrond, even onnut ’t welk de Calvijnsche kerk heeft aangenomen - “de onvoorwaardelijke verkiezing en verwerping”, staat hier aan gelijk; het menschelijk hart verwerpt het, wat spitszinnige en overnatuurkundige bewijzen het vernuft daar voor ook wete optezoeken. Bleef dit door de Dominante kerk zo van harte toegestemt als er is een GOD, haare Gezindheid zoude voorlang verdwenen zijn. Dit harde Geloofsch artikel wel zijnde ingezien, en in alle zijne uitwerkzels en gevolgen afgemeten, zoude immers recht geschikt zijn om wanhoop en zelfs moord te begunstigen. Het wordt niet waarlijk gelooft, dan door zwartgallige kranken die men aangevochtenen van den Duivel noemt; van werkheiligen, welke uit zeer dubbelzinnige kentekens opmaken dat zij onder het klein getal der Uitverkoorenen zijn, en door eenigen die geen moed of lust hebben zeker gevoelen eens door hen uit vooroordeel aangenomen, bedaard te onderzoeken, en tot zijne waare gezicht te brengen. Vroome eenvoudig welmeenende menschen, die belijdenis deeden van de Gereformeerde Leer, zeggen ook (als zij aan hun systema niet denken): “GOD beware mij dat ik des zoude geloven dat die en deeze en nog al een andere eeuwig verdoemt zijn zullen. Wel ’t is immers waar dat hij die wel doet wel zal vinden enz.”
VADER. Indien ooit ons Vaderland zijne vrijheid weder krijgt; dan zoude ik, indien mijne stem gevraagd wierd, stemmen: geene Dominante kerk. Ik zoude ook eisschen, dat ieder Burger verkieslijk moest zijn tot alle posten en plaatsen, indien zij daar toe de noodige hoedanigheden hadden, en dat allen alleen aan de wetten die zij zelf hadden gemaakt, zonder uitzondering moesten gehoorzaam zijn, en daar naar allen moesten geoordeelt worden. Ik zoude echter niet toestaan, dat onder den naam van vrijheid van Godsdienst, het Bijgeloof door dwaase, ergerlijke Ommegangen het volk verblinde, en den aandagt aftrok van den eenvoudigen Godsdienst in het Euangelie geleert, wijl het gezond menschen verstand alle zulke ongerijmde vertooningen verwerpt; en zelf door vele Roomschgezinden verworpen worden. Geen Geestelijken in hun plegtgewaad dulden buiten hunne kerken; en dit gebod zoude ik uitstrekken over alle Leeraars van allerlei gezintheden. Dit gebod kan zommigen beuzelagtig toeschijnen: ik die weet hoe zulke onderscheiding in gewaad het volk treft zie dit anders in; en zo ik eene verhandeling schreef ik zoude dit eens wat omstandiger aantoonen... Maar, mijn vriend, ik vrees dat dit aangenaame droomen zijn van een oprecht Beminnaar zijns Vaderlands!

Geen opmerkingen: