dinsdag 8 mei 2007
Wat mooi en deugdelijk geformuleerd is het, wanneer Montesquieu zijn L’Esprit des Loix begint met te zeggen:
'Voor een goed begrip van de eerste vier Boeken van dit werk dient te worden opgemerkt dat wat ik de republikeinse deugd noem, gelijk is aan de liefde voor het eigen land, dat wil zeggen de liefde voor gelijkheid. Het gaat hier niet om een morele of christelijke deugd, maar om de politieke deugd; de deugd die het republikeinse staatsbestel in beweging brengt. De liefde voor het eigen land en voor de gelijkheid heb ik dus politieke deugd genoemd.' (1)
Het lucht op wanneer deugd nu eens iets is, noch van religieuze, noch van kleinburgerlijke aard; maar dat het iets is dat iemand moet hebben wanneer hij een gezonde samenleving voorstaat.
Het is de deugd, de moed, de verantwoordelijkheidszin, de Zivil-kourage van de Oudheid en van de Verlichting. Van de Hellenen die hun polis zo liefhadden, van de burgers en de citoyens later.
Dat ‘eigen land’ is bij Montesquieu niet Urk, de vakbond van managers, de Partij voor de Pieren, de subsidiemachine. Het is, jawel, de samenleving. Montesquieu bedoelt: die samenleving waar je in de eerste plaats iets mee te maken hebt. En die met jou te maken heeft. Die kan soms best wereldwijde trekjes hebben, maar toch niet zo heel snel.
Je krijgt daar een heel ander gevoel over, bij het lezen van Montesquieu, dan wanneer je luistert naar gekef over een canon, waar de een meteen begint te schreeuwen over gevaarlijk nationalisme, en de ander denkt dat geschiedenis van zijn samenleving hetzelfde is als geschiedenis van zijn eigen benepen honk - waarin Datheen belangrijker is dan Spinoza.
In beide gevallen is er sprake van wat men in de achttiende eeuw ‘cabaleren’ noemen: factiezucht, het samenzweren tegen het geheel, de ontkenning van het bestaan van een geheel. Het is de politieke ondeugd van onze tijd. Mandeville, in zijn Fabel van de Bijen, noemde dat een sin; en hij was niet religieus.
Gezwegen van de theorieën van Montesquieu:
wat is het heerlijk diens heldere historische (ongetwijfeld gedateerde, maar toch) uiteenzettingen te lezen over weeldewetten uit vroeger tijden; over koning Gelo van Syracuse die na zijn overwinning op de Carthagers pas vrede wilde sluiten als die Carthagers zich verplichtten hun kinderoffers af te schaffen; over door de Atheners aan iemand opgelegde doodstraf ‘omdat hij een mus had gedood toen dat beestje, op de vlucht voor een sperwer, zich in zijn armen had gestort’; over van alles en nog wat. Je krijgt er een zedelijk gevoel van, op zijn klassieks.
Als hij ooit tijd krijgt, moet Herkauwer maar weer es wat speeches gaan herlezen van Perikles en dat soort mensen.
Hm. Herkauwer wordt een beetje nostalgisch daarvan.
Als-i nou es in Thucydides of Livius zou gaan snuffelen, in plaats van in Kersteman over Ludeman? Misschien is dat veel beter voor ‘het eigen land’.
(1) Geciteerd naar de in 2006 bij Boom (Amsterdam) verschenen vertaling door Jeanne Holierhoek.
donderdag 28 februari 2008
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten