donderdag 28 februari 2008

Moederdag 1720

zondag 13 mei 2007


Gastblogger Gerrie Wisse schrijft:


Gelukkig is het land
Daar’t kind zyn moêr verbrand


Moeders zijn dwaas en in hun dwaasheid bezorgen ze de samenleving een hoop ellende. De predikant en taalkundige Carolus Tuinman houdt nooit op te waarschuwen. En werkelijk, hij is er niet op uit te kwetsen. ‘Hier wordt geen waarheid noch deugd beledigd, hier wordt niemand in zijn naam of achting gekrenkt,’ zegt hij ergens. Wat hij schrijft is waar. Tuinman houdt van klare taal. Hij zal geen web van zijde spannen of waarheden blanketten.

Ach ja, de moeders.

Het is half zes in de morgen. Een wat verfomfaaide moeder kijkt ontroerd naar het kind dat met stralende ogen zijn versje opzegt. Op het dienblad ligt een half doorweekte boterham met pindakaas. Het glas sinaasappelsap is half leeg. Naast het bord ligt een mooi plakwerkje. Dit kind is nog niet verloren. Wees verstandig, Moeder! Maak van uw kind geen monster. Bespaar hem uw grenzeloze liefde.


MAL MOERTJE, MAL KINDJE.


’t Malle Moêrtje, ’t malle Kindje,
Vind men hier en over al.
O geen netter paartje vind je:
Want het broed elkander mal.

O wat krijgt het zoete naampjes!
Gekje, zotje: wat al niet?
Ei! Wat luid dat aangenaamtjes,
Dat zy ’t het zo naar waarheid hiet!

Zachtjes! ’t kindje zou wel schreyen,
Zo men niet zyn wiltje doet.
Moêrtje, kom uw kindje vleijen.
Wat uw kindje wil, is goed.

Stout is’t kindje: gryp het roetje.
Maar Ô sla zyn biltje zacht;
Of ’t zou zeer doen aan het bloedje.
Kittel daar meê, dat het lacht.

’t Kindje wil zyn papje slabben:
Vaag het weder schoontjes af.
’t Kindje wil zyn moêrtje krabben.
’t Krygt een zoentje tot zyn straf.

Zoud gy ’t kindje meêr kastyden:
’t Moêrtje vloog u in’t gezicht,
En zy wil geen tuchting lyden
Van dit teêrgeliefde wicht.

Maar laat zich het Moêrtje wyten,
Trapt dit kind haar eens op ’t hert.
’t Zal haar wel de neus afbyten,
Als het opgehangen werd.

Wilt gy uwen zoon niet tuchten:
Die verkeerde liefd’ is haat,
En zy baart veel wrange vruchten,
Als geen nabeklagen baat. (1)


Het slechte kind wacht de galg, het goede kind brengt zijn moeder op de brandstapel. Het eerste is waar, in de optiek van Tuinman, maar het tweede natuurlijk niet. Het bovenstaande versje komt uit zijn het etymologisch woordenboek Fakkel, lemma ‘moeras’. Dit is een samenstelling van moer en as. Moer komt hier van modder en niet van moeder. As of a komt van water. Moerassige landen zijn waterige landen. Dit versje verwijst naar de mens die zijn ‘moederaarde’, waaronder turf gerekend wordt, verbrandt. (2)


C. Tuinman, ‘Tuinmans Zedezangen, over een groot gedeelte der Nederlandsche spreekwoorden van dagelijks gebruik, nuttig uitgebreid en toegepast op verscheiden rymtrant en zangwyzen,’ In: Beginzel van Hemelwerk. Bestaande uit Mengelzangen [...]. Leiden 1720. P. 60-61.
(2) C. Tuinman. Fakkel der Nederduitsche Taale [...]. Leiden 1722, p. 239.

Geen opmerkingen: