dinsdag 3 april 2007
In de laatste HP/De Tijd vindt men enkele interviews met belspel-presentatiemiepjes. Het is duidelijk dat zij hun verschijnen op de buis beschouwen als iets dat niet alleen de mensheid, maar vooral henzelf ten goede komt.
Het is een stap omhoog, vinden zij: misschien mogen zij straks een soort Lingo doen, of, vijfentwintig jaar verder, Balkenende uitleg vragen over wat hem ooit precies voor ogen stond toen hij het had over ‘samen doen’.
Ik gun het ze. Het lijken energieke meiden.
Toch werd ik een moment achterdochtig toen ik las dat één van hen eerst communicatiewetenschap gestudeerd had - wel een jaar lang.
Het duurde even voordat ik mij realiseerde wat de reden daarvan was. Hoe zat het ook alweer? Was het rond 1980 dat deze eh... wetenschap werd opgericht, althans aan de UvA? De UvA besloot hiertoe, denk ik, deels vanwege de geest van de tijd, en deels om zoveel mogelijk studenten binnen te krijgen.
In zekere zin had de gewone studie Nederlands daar behoorlijk last van. Zo’n 20% van de studenten verdween naar die Communicatie. Hun verdwijnen was niet echt een ramp. Het waren vooral de studentes zonder diepgang die graag wilden ‘communiceren’, die deze hoofdrichting prefereerden.
Enfin, u kent de gevolgen. Verreweg het grootste deel van wat u vandaag in de media treft gaat om opgeleukte teksten (wat op zich niet fout is), evenwel zonder gedachten.
Laat ik daar echter niet moeilijk over doen.
5% van de studenten liep om andere redenen weg. Die konden niet meer tegen het eindeloze vulgairmarxistische gezeur en gezever, de politieke druk uitgeoefend tijdens colleges en in de wandelgangen, zoals jarenlang gepractiseerd door Frits Prior, Jos Scheren, Kriel Offermans, Aaike Eier, en Simone Walvisch. Die laatste zag er inderdaad zo uit en was de partijleidster die voorafging aan Elsbeth Etty. Simone was een volslagen humorloze fanatica. Vergeleken met haar was het leven met Elsbeth een carnaval. Enfin, u moet maar es ergens opvissen: de opmerkingen over dat alles gemaakt door Henk Spaan, Erik van Muiswinkel, en nogal wat anderen.
Waar ging die 5% naar toe? Naar Algemene Literatuurwetenschap. Daar was men minder geïnteresseerd in de dialectiek zoals door allerlei Snorremansen rond 1870 uitgevonden. Daar deed men nog gewoon geleerd. Zeer geleerd zelfs.
Dat maakte een gunstige indruk op die 5%, die wel es wat anders wilde horen dan alleen maar dat gekwaak over onderbouw en bovenbouw, en over de klasse-eigen sigaren in elke mondhoek van onze zakenmensen.
ALW maakte daar handig gebruik van. Ook daar vreesde men toen al wegbezuinigd te worden. Regelmatig kreeg ik verzoeken tot samenwerking, omdat men hoopte het eigen vangnet te kunnen vergroten.
Eén keer ben ik daarop ingegaan. Men wilde een werkcollege over de roman in de achttiende eeuw. Kern daarvan moesten zijn: de Werther, de Sara Burgerhart, en verder nog een Engelse en Franse tekst waarvan ik de titels vergeten ben.
Bij mijn overkomst bleek tot mijn verbazing dat de ALW-begeleiders werkelijk dachten dat die romans de eerste romans in de genoemde taalgebieden geweest waren. Mijn mededeling dat er 1000 à 2000 Nederlandstalige romans vóór Sara geweest waren bracht hen even in verwarring. Maar het interesseerde hen niet echt: de Werther, de Sara lieten immers, volgens de studies in gebruik bij ALW, hoe dan ook, voor het eerst, tegelijkertijd, en systematisch, de karakteristieken van de overal opkomende burgerklasse zien. Het ging om die theorie.
In de loop der jaren bleek mij dat bij ALW ‘echt’ onderzoek nooit plaatsvond. Het ging altijd om een theorie die in de lucht gehouden moest worden. Of die theorie recht van bestaan had, was niet relevant. Het intellectuele spel was blijkbaar belangrijker.
Het had vaak iets van scholastiek in de middeleeuwen: hoeveel engelen kunnen er dansen op de punt van een naald? Ook wanneer de naald nog niet uitgevonden is, en engelen niet bestaan?
Zo’n discussie heet: diskoers. Nu nog trekt een huivering over mijn leden wanneer ik dit woord hoor (men dient het uit te spreken mét een eind-s).
Het is een woord dat ALW-achtigen in de mond nemen, en uitspreken met dat gezicht dat toont: dat men weet in staat te zijn deel te nemen aan een debat van werkelijk fijne geesten, over bijvoorbeeld de verschillen en overeenkomsten tussen hellenisme, karolingische renaissance, rococo en postmodernisme.
Een ‘diskoers’ is een debat van min of meer metafysische aard, waarin abstracta geanalyseerd, gepureerd, gecompareerd en tevens geaccoladeerd worden.
Daarna int men een heel concreet salaris.
Nu ja. Laat ik eerlijk blijven: ALW kan best zin hebben. Soms. Als die abstracta een basis hebben in de werkelijkheid.
Maar ja, wat is werkelijkheid?
‘Mijn panty rijdt’, zei Heraclita. Waarop zij besloot dat niets in dit leven vast was, maar dat alles stroomde.
woensdag 27 februari 2008
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten