woensdag 27 februari 2008

Brief aan vader (1750/1802) 2 (slot)

vrijdag 20 april 2007

(vervolg)

Ik gaf mijne moeder den brief, en stond, brandende van nieuwsgierigheid, om te hooren wat zij zeggen zoude, aan haaren schoot. “Ik zie, dat gij vader reeds veel hebt verhaald, en alles naar waarheid; in zo verre heb ik niets tegen uw brief. Maar gij vergat mijne groote les: doe alles met orde. Men schrijft met orde, als men alles, wat men schrijven wil, op de rechte plaats, en ten rechten tijde schrijft; als men het belangrijkste eerst schrijft; men moet klaar en duidelijk zijn; men spreekt weinig of niet over onverschillige dingen; men verhaalt kort, en vermijdt allerlei invoegzels, die dikwils den leezer in verwarring kunnen brengen. Hoe is dit nu in uw brief? laaten wij hooren; lees:”
IK. (Leezende.) Mijn allerliefste vader! wel het is net als of gij al een jaar weg waart, toen ik agt jaar wierd, en dat is nu evel al een jaar en twee maanden.
MOEDER. Denkt gij, dat uw vader niet weet, wanneer zijn kind verjaart? de verjaaring, en oblipartij enz., zoudt gij dus hebben kunnen daar laaten; uw vader weet, buiten dit, dat wij zelf naar hem verlangen. Maar gij schrijft daar iets, dat zo niet gebeurd is. Hebt gij een prent heet en warm opgerold, en uw vader in den mond gestooken?
IK. Wel neen: heden, maatje, hoe bedenkt gij dit ook zo? vader at het oblietje, en niet de prent op.
MOEDER. Ik bedenk het niet, het staat ’er, dunkt mij.
IK. รด Moeder! gij begrijpt tog wel, wat ik meende!
MOEDER. Dat is zo, maar waarom schreef gij het niet duidelijker?... Gij wildet veel schrijven; kinderen weeten niet veel, daarom schrijven zij alles, wat hun in het hoofdje komt, of het past of niet. Ik zeide u ook, dat men het woord want alleen gebruikt om ergens reede van te geeven. Ik gaa mijn les leeren, want mijne moeder heeft het mij bevolen. Mijne moeder was zeer voldaan, want mijne moeder heeft het mij bevolen. Mijne moeder was zeer voldaan, want ik heb met aandagt geantwoord. Gij gebruikt ook te dikwils het woord en; gij hebt niet gelet op de zin-scheidende teekens. Ik zie ’er uit, dat gij uwe gedagten nog niet weet te leiden; maar zo gij oplettender wordt, zal dat van zelf komen. Het is onnodig, dat gij den geheelen brief voorleest. Gij hebt mij, hoop ik, verstaan.
IK. Maatje, als mijn brief zo slegt is, dan moest ik dien niet zenden, maar zien dat ik een beteren schreef, dan konde gij ook zien, of ik u verstaan heb.
MOEDER. Uw brief is niet zo slegt; en uw vader zal dien met genoegen leezen, om dat het de eerste brief van zijn kind is. ’Er is veel verbeelding in uw brief, maar de verbeelding vertoont zig altoos vroeger dan het oordeel. Zij behaagt ons ook in kinderen: ’t is een bewijs, dat zij niet stomp zijn. Wij zullen den brief aan vader zenden, die zal hem bewaaren; dan kunnen wij zien, of gij wat vordert in het schrijven. Gij weet dat ik alle uwe krabbelingen, of, wilt gij het hebben, teekeningen, bewaar; als gij dan zelf ziet dat gij vordert, teekent gij immers met meer lust, want gij ziet zelf, wat vlijt en oplettendheid uitwerken.
IK. Hoor eens, maatje: dagt gij, dat ik beter brieven zoude schrijven?
MOEDER. Ik dagt het niet; maar ik wilde ’er de proef van neemen.

Geen opmerkingen: