dinsdag 6 maart 2007
Een bijdrage van lezeres G.W.:
Zang-lievende Christenen. Een waarderingsgeschiedenis van de
gedichten van Carolus Tuinman
Ik hield haar hand en zong de liedjes mee.
Nijhoff
Zo was het toen ik klein was. Mijn moeder, in de kracht van haar leven, zong: Poesje Mauw, Van berg en dal en Knaapje zag een roosje staan. En daar bleef het niet bij: psalmen over het ‘hijgend hert’ en ‘diepten van ellende’ volgden. Maar ik werd groot en na enige tijd kon ik zelf zingen. Ik had haar niet meer nodig. En mijn oude moeder? Zij zingt nog steeds.
Haar liedkeuze heeft zich nu volledig toegespitst op het geestelijke lied. Een genre dat halverwege de zeventiende eeuw opbloeit. Het wordt bij uitstek gezien als middel om het geloof te verspreiden. In de achttiende eeuw worden minimaal honderddertig liedbundels uitgegeven. Steef Post heeft hiernaar onderzoek gedaan en komt tot de verrassende ontdekking dat een groot aantal van de achttiende-eeuwse liedboeken uit Middelburg komt. In de periode tussen 1720-1740, de periode die hij onderzoekt, is dat vijfenveertig procent. Het is in deze tijd dat Carolus Tuinman zijn liederen op de markt brengt. Maar wie is Carolus Tuinman, hoe is hij gewaardeerd door tijdgenoten en nageslacht?
Tuinman, geboren te Maastricht in 1660, is van 1699 tot aan zijn dood in 1728 predikant in Middelburg. In deze periode is hij enorm productief. Hij schrijft theologische beschouwingen, taalkundige werken, gedichten en pamfletten. Hij behoort tot de Nadere Reformatie en is een streng navolger van Voetius. Opvallend in zijn werk is de enorme felheid waarmee hij andersdenkenden bestrijdt. Titels als De heillooze gruwelleer der vrijgeesten of Rommelzoo van allerlei Paapsch Heiligdom liegen er niet om. Zijn belangrijkste taalkundig werken zijn: Fakkel der Nederduytsche taal en Nederlandsche spreekwoorden. Hierin worden woorden en zegswijzen verklaard naar betekenis en herkomst.
In 1699 komt zijn eerste bundel uit: Mengel-stoffe van veelerlei stichtelijke gezangen. Tot zijn dood volgen nog negen dichtbundels en vier herdrukken. Dat is niet mis, vooral als je rekening houdt met de productie van andere dichters uit die tijd. De Middelburgse predikant Melchior Leydekker schrijft een brief naar aanleiding van Rijmlust uit 1716: Uwe stichtelyke gezangen heb ik gelezen, en pryze dezelve wegens stoffe en kunst, waarin U.E. gelet op de maat en gewicht van de syllaben, konstige Sluitwoorden, en aardige verbeeldingen, dat een recht genoemde Poëzy uitmaken. Over al heb ik gevonden rechtzinnigheid, godvrucht, en geestelyke ervarentheit van het werk der genade, navolgens een waarachtige, geestelyke en welgenoemde Mystike Theologie, welke in Christelyke en Stichtlyke Gezangen doorstralen moet. Zulks dat ik uwe by de allerbeste, die men heeft, moet vergelyken, en weerdig oordelen om in ‘t licht gegeven te worden.’ Het is een positief oordeel van een gelijkgestemde. Een schimpdichter uit dezelfde tijd geeft een ander beeld. Hij schrijft een ‘Rym-kroon’ voor Tuinman. Hij beweert daarin dat Tuinman het schuurpapier goedkoop maakte door al de spreuken, die van hem door ‘de komenyen zwierden’.
In 1728 overlijdt Carolus Tuinman. Zijn vriend Leydekker eindigt zijn preek met de woorden: ‘Hij zal niet meer tot u spreken. Maar wat zeg ik? Hy spreekt ook nu noch, nadat hij gestorven is, tot u in zyne Schriften, zyne Liederen, zyne Gezangen; bedient’ u er dan van, tot uw nut en gebruikt ze tot voordeel van uwe ziele.’ Tuinmans liederen zullen de eerste tijd nog wel gezongen zijn, vooral in Zeeland. Tenslotte is hij daar veertig jaar lang predikant geweest en waren er heel wat liedboeken van hem in omloop. In 1781 zijn nog zijn Nagelaten Mengelstoffen uitgegeven door Jan Reijnvaan met een voorrede van ds. W. Kimyzer. Maar dan wordt het wordt het stil rondom de ‘vurige prediker’. Herdrukken blijven uit en de gelovigen lijken hem te vergeten.
Eind negentiende eeuw en de eerste helft van de twintigste eeuw komen we zijn naam weer tegen bij Siegenbeek (1876), Nagtglas (1893), Kalff (1910) en Knuvelder (1954). Siegenbeek noemt alleen zijn naam in verband met zijn taalkundig werk, en dan nog negatief. Nagtglas moet niets hebben van deze dichter, die zo ‘bitter overdrijft’. ‘Zijne dichtwerken kenmerken zich eveneens door niets bijzonders en zijn zelfs middelmatig in dien weinig beduidenden tijd. Het zijn meest uitvoerige berijmde, doorgaans vergeestelijkte bijbelplaatsen, of alledaagsche dingen, behandeld zonder eenige verheffing, maar keurig net en glad gepolijst.’ Kalff is positief. Tuinmans poëzie munt uit door: ‘diepte, en zuiverheid van gevoel, door pittigheid en muzikaliteit. […] om de letterkundige waarde zowel als van zijn polemische als van zijn opbouwende poëzie verdient deze predikant, tot dusver slechts als taalkundige bekend, maar ook als dichter met onderscheiding genoemd te worden.’ Knuvelder noemt enkele dichtwerken en citeert de schimpdichter met zijn ‘Rymkroon’.
En weer wordt het stil rondom de dichter. Dan verschijnt er in 1986 een opvallende bundel: De Nederlandse poëzie van de zeventiende en achttiende eeuw in duizend en enige gedichten van Gerrit Komrij. Zes gedichten van Carolus Tuinman neemt hij op in zijn bloemlezing. Is de vergeten en verguisde dichter toch een plaatsje waardig in de Nederlandse canon? Een tweede gebeurtenis roept verbazing op. Zij is de verklaring van mijn keuze voor Tuinman. Mijn moeder vertelde laatst, dat ze zo graag de liederen van Carolus Tuinman zingt. Vervolgens pakte ze uit de boekenkast een voor mij volslagen onbekend boek: Mengel-stoffe van veelerlei stichtelijke gezangen, een bundel uit 1709, de herziene uitgave van de bundel uit 1699. Het heeft een prachtige band, rood marokijn, met goudpersing. En wat dit boek zo uniek maakt, is dat er naast de 387 bladzijden gedrukte liederen er nog eens 191 bladzijden handgeschreven liederen zijn toevoegd. Archiefonderzoek wijst uit dat het Tuinmans handschrift is. Het boekje is jarenlang netjes bewaard en toen het na zo’n tweehonderdvijftig jaar in het bezit kwam van mijn ouders, zag het eruit alsof het nooit was gebruikt. Dat veranderde. Mijn moeder, gecharmeerd door de schoonheid van dit boekje, raakte al snel onder de indruk van de teksten. Zij heeft misschien wel als eerste dit liedboek gebruikt waarvoor het oorspronkelijk bedoeld was, namelijk ‘tot navolging van Israëls liefflyke Zanger, zo Gods lof uitgalmen op aarde’.
Wie meer wil lezen over het piëtistische lied, verwijs ik naar het artikel van Els Stronk: ‘De "verborge werkingh" van het zeventiende-eeuwse calvinistische liedboek’ (http://www.dbnl.org/tekst/stro009verb01/stro009verb01_001.htm) en het artikel van Steef Post: ‘Stichten met dichten. Over piëtistische dichtkunst in het achttiende-eeuwse Middelburg’. (Literatuur. 1992, afl.6, p.342-350.). Informatie over theologische aspecten in het werk van Tuinman, vindt u in de doctoraalscriptie van Piet Janse uit 1989, aanwezig in de Provinciale Bibliotheek te Middelburg en in het Zeeuws Archief.
woensdag 27 februari 2008
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten