donderdag 3 mei 2007
Eergisteren vroeg Herkauwer zijn lezers of iemand hem kon informeren over de inhoud van onder genoemd, zeldzaam werk. Wouter de Boer, te Groningen, reageerde omgaand. Dank! Ziehier zijn opgave:
Proeve over de kunst om altijd vrolijk te zijn in vier zangen.
Door P.J. Kasteleijn.
Lid van het Provinciaal Utrechts Genootschap van Kunsten en Weetenschappen, van het Dichtkundig Genootschap: Natuur begaaft, oefening beschaaft, enz.
Te Amsteldam, bij Albrecht Borchers. MDCCLXXX
Prent op de titelpagina:
Een dame met ontbloot bovenlichaam en een lauwerkransje in het haar kijkt vergenoegd toe hoe twee jongetjes elkaar omhelzen. Eén lijkt een boek in de hand te hebben, de ander wijst naar de spreuk die de dame in haar hand houdt: ‘proficit et recreat’. Op de voorgrond zit een derde knulletje vlijtig met een ganzenveer in de hand te schrijven. Een fluit ligt voor hem op de grond.
Volgende pagina bevat een motto:
Credo mihi, res severa est verum Gaudium.
Seneca
Dan start het ‘Voorbericht’, dat tot pagina XXX doorloopt. Het begin luidt aldus:
‘Geene pooging, geene verrichting, geene van alle de daaden, die een denkend-, en vooral een waarlijk weldenkend – Weezen, bedoelt, bedrijft en uitvoert, is zijner bestemminge meerder waardig, dan zulke daaden, zoodanige verrichtingen, en die poogingen, waardoor hij, naar zijn vermogen, het weezenlijk nut en vermaak zijn Natuurgenoten helpt bevorderen.’
Daarna heeft Kasteleijn het over vooroordelen jegens hem. Het woord ‘onverstand’ wordt in deze nogal eens aangehaald naast ‘vooroordeel’. Bijvoorbeeld:
p. VII: ‘Ik weet wel, waarde Leezers!dat het U niet sterk kan interesseeren, dat ik met U van mij zelve spreeke; een schrijver kan dit, (mij dunkt ik kan het gevoelen) niet te veel vermijden,maar nood breekt wetten! [...] ô Dat noch onverstand, noch voorôordeel ons verzelde!’
p. IX: ‘ô MIJNE Vrienden! ja dat zij gij, gij zijt mijne Medemenschen: uwe zorg, het deel dat gij in mijnen welstand neemt, moet noch kan mij niet onverschillig zijn, neen, het treft mij zelfs, ik verzekere het U allen, het treft mij! Zoude ik mij over U beklaagen, daar gij over mijne handelingen denkt, niet gelijk ze zijn, maar gelijk ze U voorkoomen? dit waare onrechtvaardig.’
En dan komt Kasteleijn nog met de toepasselijke spreuk:
p. XI: ‘Wat blinkt is niet steeds goed; en ’t geen men kwalijk acht/ Is veeltijds niet zoo boos,dan men wel hadt gedacht.’
Hij blijft de lezers als ‘vrienden’, ‘medemenschen’ en zelfs ‘vrije stervelingen’ toespreken. Het komt allemaal erg melodramatisch over, bijna schrijnend komisch.
p. XIV: ‘VERGUN mij U te zeggen, dat welk van mijnen arbeid op mijne zinspreuk: TOT NUT EN VERMAAK [Proficit & Recreat.] ook moge recht hebben, gewislijk dit mijn teegenwoordig werkje, heeft ’er, zoo ik mij niet misleide, den grootsten aanspraak op.--- ô Waarlijk schoone taak, zijnen medemenschen, waarvan zoo veelen, ja verre de meesten, in deezen hunnen geplaatsten kring, beurtelings, door valsche vermaaken, door onnodige angstvalligheden, door den last der bezittingen, door de zorg de behoeften, door de foltering der nimmer te verkrijgene wenschen, als in eene geduurige duizeling, hunnen dierbaaren leeftijd doorsluimeren, ô waarlijk schoone taak, zegge ik, soodanigen te leeren, de allervoortreffelijkste aller kunsten, DE KUNST OM ALTIJD VROLIJK TE ZIJN!’
Dan een stukje over de Spanjaard Sarasa, die een werkje met dezelfde titel heeft geschreven, ‘Ars semper gaudendi’ dat vanuit een verkorte Hoogduitse omzetting vrij naar het Nederlands is vertaald en verschenen ‘in het Periodiek Werk: de Mensch, Deel VII, bl. 1, en verder’. Hier is het onderhavige werkje niet op gebaseerd, benadrukt Kasteleijn.
Hij haalt nog wat meer namen aan, Epikurus valt herhaaldelijk (als inspiratiebron?), maar ik heb helaas de tijd niet om alles secuur door te nemen.
Het voorbericht is getekend:
P.J. Kasteleijn.
Amsteldam,
Den 2den van Grasmaande, 1780.
Dan volgt een ‘Schets van het volgend dichtstuk’ dat ik in zijn geheel opneem:
Eerste zang.
De wijze kan overal vrolijk zijn; zijn waar vergenoegen is niet aan de plaatze, noch aan de afwisselingen des geluks verbonden, en dus ook zijne gelukzaligheid niet; want Vergenoegen is het Weezen der gelukzaligheid, welke ontstaat, als wij alle onze natuurlijke begeerten vervult zien, en van allen smart bevrijd zijn. Dit schijnt de wellust van EPIKURUS te zijn, waaronder hij wel niet bloot een zinlijk vergenoegen verstaan heeft, dat niet den gantschen Mensch, dus niet volkoomen, gelukkig maakt. Hoewel de Mensch voor deeze volkoomene gelukzaligheid, in zijnen geplaatsten toestande niet vatbaar is; zoo moet hij hara nochtans nabij trachten te koomen. Terwijl hij de volkoomenheid eenes vernuftigen Weezens waardig naarstreeft, groeit zijn vergenoegen, en, met dit, zijne gelukzaligheid. Hij kan (als dan) gelukkig heeten, dewijl de smartbaare gewaarwordingen door die der aangenaame worden overtroffen. De gantsche Natuur nodigt ons tot vergenoegen uit, en wij zijn enkel ongelukkig, als wij ons niet weeten te verblijden.
Tweede zang.
WIE zich altoos wil verblijden, moet alvoorens het gewigt van zijn vergenoegen zoeken te vermeerderen. Hij zij dus wijs en deugdzaam, en vorsche de waarheid na: zoo heeft hij eene bronne der edelste en reinste vreugde. Buitendien, en bloot door zinnelijke vermaaken, is een algemeen en duurzaam vergenoegen te erlangen. Deeze laatsten zijn den Menschen niet verboden, maar in derzelver genoet moeten zij de natuure volgen, misbruik en overmaat vermeiden, en tevens de hogere vermaaken der ziele, in tijds, voortreklijk beminnen.
Derde zang.
WIE altoos wil vrolijk zijn, moet verder de smartwekkende gewaarwordingen zoeken te verhoeden, of ten minsten te verminderen. Het eerste geschiet, als hij zich door de wijshied in dien stand plaatst, dat zijne begeerten kunnen vervuld worden; als hij deswegen zich van de overvloedige begeerten losrukt, de lagere goederen zich niet als noodzaaklijk voorstelt, en daarentegen de edelere en wezenlijke tot zijn oogmerk maakt. Het andere geschiet, als men zich, door dwaaze vreeze en ongeduld niet zelfs nog ongelukkiger maakt, en zich voorneemt, ’t geen niet te veranderen is, standvastig te verdraagen. Dit opzet wordt door de gedachten, dat een wijs en goed God de Waêreld en ons lotgeval bestuurt, beleeft en bevestigt: welke Godsregeeringe, uit zijne en der Schepzelen eigenschappen kan worden beweezen. En dewijl onder eene Goddelijke Regeering alles, wat is, in den te zamenhang, recht is; zoo werkt de overtuiging deezer waarheid eene blijde berustiging in de wederwaardigheden deezes leevens.
Vierde zang.
DOOR de gronden der wijsheid ter standvastigheid, wals ze op het tegenwoordig leeven worden bepaalt, wordt de toestand eenes duurzaamen vergenoegens, onder alle zoorten vij lijdens, niet in de daad gemaakt. De onsterfelijkheid der ziele, en een ander leeven, worden door het verstand erkent, maar slegts waarschijnlijk, onzeker, en moeilijk. De Openbaaring brengt ze buiten allen twijfel, en verweidert onze uitzichten; terwijl dezelve ons leert: dat dit leeven enkel een stand der beproeving, en een beter toestand der deugdzaamen toekoomend zij: Aldus zet zij ons in de nstand, om de wederwaardigheden deezes korten leevens, in ’t welk het geluk eener eeuwigheid gegrond is, de lijdens van de ntijd, het verlies van de goederen des geluks, en dat van onze Vrienden te verdraagen, den dood zelfs niet te vreezen, maar ons in deszelfs vooruitzigt te verheugen, en, op deeze wijze, ALTIJD VROLIJK TE ZIJN.
Dan volgt het dichtwerk in 108 pagina’s, met nog 2 pagina’s errata. In deze uitgave zijn die twee pagina’s (109-110) tussen de ‘Schets’ en het eigenlijke gedicht geplaatst. De band omvat tevens het werkje ‘Wijsheid de zuil der Vrijheid in vier zangen’ uit 1786 of 87 (ben het vergeten te noteren).
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten