donderdag 22 februari 2007
Het leven van Johan Bonkel (1778-1779) bereikt Nederland dus via Bunkel (1778), de Duitse vertaling uit het Engels.
Sommigen in de Duitse landen zijn niet gelukkig met die uitgave. Dat gaat die mensen niet eens om het libertijnse leefpatroon van John Buncle. Zo wordt de heer Hermann Goldhagen (1718-1794), katholiek theoloog te Mainz, nogal zenuwachtig.
Die Goldhagen was een jezuïet, tot die orde in 1773 door de paus opgeheven werd: dat gezelschap was een beetje te volijverig in het verdedigen van de kerkleer. In de achttiende, en ook in de negentiende eeuw worden daarom alle soorten vrijzinnigen een beetje nerveus wanneer er een jezuïet in de buurt verschijnt. Ze beschouwen de Societas Jesu als een soort CIA of KGB van de Reactie. Hun zenuwachtigheid is soms terecht, maar soms een beetje overdreven.
Maar Hermann Goldhagen is inderdaad een echte ketterjager. Op 18 september 1778 legt hij een rapport over Bunkel voor aan zijn bisschop. Die stuurt dat onmiddellijk door naar de keizerlijke commissie voor de boekencensuur.
De inhoud? Johann Bunkel is een van de meest schadelijke boeken ooit; het is bedreigend voor de leer van de drie geaccepteerde religies; het ontkent de goddelijkheid van Jesus en de Geest, alsmede de Verlossing, de eeuwigheid van de hel, en in het algemeen alle geloofsgeheimen. Het is deïstisch. Rede schijnt belangrijker te zijn dan religie, in dit boek. Ook is buitengewoon schandaleus de idee dat niet-christenen zoals de ‘morele heidenen’ Socrates, Zeno en Cicero in de hemel zijn.
Gevolg: Bunkel wordt doorheen het gehele Duitse Rijk verboden.
De meeste bezwaren zijn duidelijk. Het belang van de Openbaring, de positie van de kerk(en) als doorgeefluik van die Openbaring, wordt blijkbaar in Bunkel niet erkend.
Het probleem rond die heidenen in de hemel komt de huidige lezer misschien vreemd voor. Dat zit zo: indien eerlijk moreel gedrag het belangrijkste criterium is om het eeuwige geluk te bereiken, en deugdzame heidenen dus ook in de hemel kunnen komen, dan heb je kerk en christendom niet nodig... en dat kan natuurlijk niet.
Precies dat probleem had in onze Republiek, een paar jaar eerder al, geleid tot een theologische, en geleidelijk aan wereldbeschouwelijke en politieke, halve burger-oorlog. Daar was de ‘Socratische oorlog’ begonnen met de vertaling door de remonstrantse predikant Cornelis Nozeman van de Bélisaire (1767), door Marmontel. Marmontel had in dit opvoedingsgeschrift de deugden van verschillende ‘heidense’ filosofen aangeprezen. Dit element werd, bij het verschijnen van de vertaling, door predikanten van de orthodoxe gereformeerde kerk aangegrepen om hun oude tegenstanders, de vrijzinniger remonstranten, in een kwaad daglicht te stellen. Die waren blijkbaar gecharmeerd van zo’n vuile ‘sodomiet’ als Socrates! Toen de ruzie over de eer van Socrates zich uitbreidde tot andere terreinen, dreigden zij de hulp van de stadhouder (die volgens hen als staatshoofd de taak had het ware geloof te verdedigen) in te roepen. De verontwaardiging over dit alles deed andere groepen de remonstranten te hulp snellen. (1)
Het gevolg van dit alles was, dat voor het eerst in de Nederlandse geschiedenis zich een vrij duidelijke scheidingslijn begon af te tekenen tussen calvinisten/oude orthodoxen/orangisten enerzijds, en vrijzinnigen/verlichten/republikeinen (later: patriotten) anderzijds
In deze atmosfeer verschijnt in 1778 de Nederlandse Johan Bonkel.
O jee.
(1) Over dit alles, zie Ernestine van der Wall, Socrates in de hemel? Een achttiende-eeuwse polemiek over deugd, verdraagzaamheid en de vaderlandse kerk. Hilversum 2000. - Een belangrijk geschrift in deze controverse is De Santhorstsche geloofsbelijdenis (1772), van Wolff en Deken (ed. A. Hanou 2000). De schrijfsters verdedigen daarin het standpunt dat, bij de Opstand, de oorspronkelijke Nederlandse geloofsovertuiging vrijzinnig en tolerant geweest is. De publieke gereformeerde kerk heeft zich heimelijk voorrechten toegeëigend die daarmee in strijd zijn.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten