woensdag 27 februari 2008

Neologie en harde eieren

vrijdag 23 februari 2007

Ik laat Bonkel even met rust. Laat de Nederlanders van 1778 maar even doorlezen in die tekst, met rode oortjes dan wel met klimmende verontwaardiging.Ik moet nog allerlei nieuwe gegevens bijeensprokkelen; de stukken behorend bij het Bonkel-verbod opsporen.

Op dit moment weet ik nog niet waar ik uiteindelijk uit zal komen, en welk antwoord er precies komt op de vraag waarom de vrouwen van Bonkel niet langer de straat op mogen, in Duitsland en Nederland.

In dit vak weet je eigenlijk niet wat je vindt, als je al iets vindt. Wat is immers precies de betekenis van zo’n tekst die je tegenkomt? Inhoudelijk; en in context van de maatschappij van toen? Je moet het antwoord al kennen om te weten wat de vraag had moeten zijn.

Wat u niet weet is, dat dat Bonkel-onderzoek heimelijk bedoeld is voor een lezing in mei, voor een symposium in Berlijn, over de vraag hoe het zit met Duits-Nederlandse betrekkingen in het tijdvak 1770-1830. Dat is een gebied met grote witte vlekken. Ik hoop dat Bonkel op de een of andere manier exemplarisch is voor die relaties. En in dit geval aantoont dat de Duitse neologie ons beïnvloed heeft.

(Neologie: de nieuwe manier waarop de Bijbel gelezen wordt. Namelijk als historisch-literaire, en ook als historisch-morele tekst. Dat had grote gevolgen voor de verandering in wereldbeschouwing, ook binnen onze eigen Republiek)

Nu ja; kennis over de Bonkel-ontvangst kan niet meer zijn dan een baksteen in de muur van dat complete complex van dit stukje beschavingsgeschiedenis.

Dat baksteen-onderzoek hoort bij een NWO-project over genoemde Duits-Nederlandse relaties. Er zat in de raad die besliste over goedkeuring, een beta die het onderzoeksvoorstel aanhoorde en verachtelijk zei: dit kun je allemaal nooit bewijzen.

Nee - bij cultuurhistorisch onderzoek kun je nooit iets bewijzen; hoogstens aannemelijk maken. Na afloop van het kronkelige onderzoek moet je het alleen zó opschrijven dat het lijkt alsof er vooraf een heldere vraagstelling was, waarbij nu een duidelijke oplossing volgt.

Was ik ooit maar beta geworden. Daar doe je onderzoek waarbij je van te voren precies weet wat je wilt/moet/zult vinden. Dat lees ik tenminste altijd in kranten, en in research-handleidingen. Daar lees ik ook, dat wij, alfa’s, dat ook precies zo moeten doen.

In een volgend leven word ik dus maar zeg, medicus. Dan weet ik zeker dat mijn proefschrift, zestig bladzijden groot, tijdig klaar zal zijn - als ik zorgvuldig naga wat er gebeurt, en niet gebeurt, met de alvleesklier, wanneer ik een groep mensen twee maanden lang drie harde eieren per dag laat eten.

Oh ja, en ook wat er gebeurt bij een groep mensen die dat niet hoeft te doen. Niet vergeten, dat laatste.

Of ik maak een proefopstelling waarbij bewezen wordt dat vrouwen er anders uitzien dan mannen. Zoiets.

Daarna word ik voorzitter van de Raad voor de Wetenschappen.

Geen opmerkingen: