woensdag 27 februari 2008

De waren van Elsbeth Etty

zaterdag 24 februari 2007

‘Jou wil ik wel plat, maar de haven niet’. Aldus een Amsterdamse havenarbeider tegen Elsbeth Etty toen die rond 1972 met haar studentvriendjes van de ASVA (lees: Communistische Partij Nederland) poogde de arbeidende klasse te mobiliseren tegen het grootkapitaal. Studenten moesten met de arbeiders immers één lijn trekken.

Dit vertelt Max van Weezel in Vrij Nederland van deze week. Hij beschrijft kort en krachtig in één alinea de sfeer en de uitwassen van ‘1968’. Hij kan het weten, want hij zat er midden in.

Ik ook.

Die vriendjes van Etty zaten bij mij in de collegebanken, en veroorzaakten dat bij mij thuis het balkon vol statiegeld stond. Dat had ik na afloop van een dagje universiteit hard nodig. Die dag liep trouwens nooit af, want tot diep in de nacht moest er getelefoneerd worden om allerlei politieke en bestuurlijke crises van de volgende dag vóór te zijn.

De collegesituatie was, kort gezegd, deze. Ik wist weinig van mijn vak (de lange achttiende eeuw), en niets van de kunst van didactische manipulatie. Ik was net begonnen. Aan studentenzijde heerste principiële achterdocht; zowel wegens de tijdgeest als mede vanwege het feit dat ik bekend stond als niet-communistisch democraat (die er al, voor 1968, voor gezorgd had dat er studenten in de faculteitsraad zaten. Ander verhaal). Het was ideologisch verplicht dat de studenten min of meer zelf uitmaakten hoe de inrichting van het college zou zijn.

Het onderwerp van dit college was: spectators. Dat sloot nog redelijk aan bij hun en mijn behoefte te weten waar men zich in de achttiende eeuw druk over maakte. De studenten maakten leesverslagjes en poogde een indruk te geven van de ideeën in die spectators.

De helft van de studenten bleef altijd weg, maar de CPN-sectie was tamelijk nijver en gebruikte, zoals altijd en bij elke gelegenheid, de situatie voor agitatie en propaganda. Ze kozen dus op voorhand bladen uit met titels als De Koopman (de rest was totaal buiten hun intellectuele bereik). Men begon, met die Koopman als smoesje, de groep uitleg te geven hoe de wereldgeschiedenis geduid moest worden. Ik beken dat het even duurde voordat bij mij het kwartje viel, toen ik plotseling allerlei termen hoorde als “Manufaktur”. Zéker toen iemand lang oreerde over het belang van ‘een waar’, en dat bij het afhandelen van een waar er blijkbaar een soort meerwaarde werd gecreëerd die uiteraard leidde tot de opkomst van de burgerij in de achttiende eeuw en daarmee van wahwahwah.

Een ‘waar’? Een ‘waar’?

Pas geleidelijk aan drong tot mij door dat dit een soort enkelvoud was van ‘waren’ - een begrip dat natuurlijk centraal stond in de economische theorie van de heer Marx, die, lezende in een Londense bibliotheek, de een of andere miraculeuze theologie had samengesteld over de gang van zaken in de wereld. Je had onderbouw en bovenbouw, en dat verklaarde alles; zo zat het.

Het was even simplistisch als een christelijke duiding van alles in termen van ziel en lichaam. Tja.

Nu, dit alles duurde een jaar of tien. Gezellig. Statiegeld dus.

De opmerking van de havenarbeider over Elsbeth riep dit in mijn herinnering terug. Over de situatie 1965-1985 valt een reeks romans à la Het Bureau te schrijven - maar u begrijpt: dat doe ik niet. Niet vandaag.
Alles is in Amsterdam en elders weer tamelijk bij het oude. Elspeth is redacteur bij de niet zo sprankelende sectie cultuur van de NRC, en de vriendjes van Elsbeth zijn in het luchtledige verdwenen of zijn onderwijskundigen bij organisaties die gesubsidieerd gebakken lucht produceren. Nu ja - alleen Kriel Offermans schrijft wel eens essays die voornamelijk bestaan uit bij elkaar geplukte Duitse gewichtigheden, en dientengevolge onleesbaar zijn.

Die moet u gewoon niet lezen, mocht u iets van zijn hand tegenkomen. Het zijn waren zonder meerwaarde. Ga gewoon iets nuttigs of gezelligs doen.

Geen opmerkingen: