woensdag 27 februari 2008

Roomsen en Republiek: Wolff / Deken (1795) 1

woensdag 28 februari 2007

De verlichte Justus van Effen zegt in zijn Hollandsche Spectator (in de editie van 1999, met de nrs. 61-105; die editie dus die u ten onrechte niet in uw bezit hebt) dat het katholicisme niet alle vrijheid toegestaan kan worden; omdat het in principe geen vrijheid aan anderen wil toestaan.

Ik moest daar gisteren aan denken, toen ik weer zo’n verstandig stukje las in de NRC, van Elsbeth Etty. In heilige verontwaardiging geselt zij diegenen die het recht opeisen te bepalen wat het echte vaderlanderschap is. Vooral de calvinisten die in de negentiende eeuw de katholieken beschouwden als tweederangsburgers, met een dubbele loyaliteit (de paus), krijgen de wind van voren. Ach, arme verdachte katholieken. Verder stoomt Elsbeth door naar Plato bij wie het ook al helemaal fout zat. Daar bemoei ik me nu even niet mee, want ik ben niet zo geleerd en ik heb geen zin in Jan/Annie Romein te gaan kijken wat bedoeld kan zijn.

Wat die calvinisten in de negentiende eeuw betreft heeft zij geen ongelijk. Het protestantse klootjesvolk was, met vele van zijn voorgangers, beslist onchristelijk bezig bij de Aprilbeweging van 1853 en bij vele andere gelegenheden.

Tijdens de achttiende eeuw was het natuurlijk nog veel erger. Ik word bijna elke dag nog wel een moment bevangen door morele koude wanneer ik weer een voorbeeld tegenkom van de brute, onchristelijke, nietsontziende wijze waarmee in die tijd de gestaalde kaders van het calvinisme en de publieke kerk er zonder scrupules toe overgingen anderen hun vrijheid van mening, baan en nog veel meer af te pakken.

Kijk - ik ben tegen die idiote gewoonte, nu in zwang, excuses aan te bieden voor dingen die eeuwenlang geleden gebeurd zijn en waarvoor ik geen enkele verantwoordelijkheid gedragen heb. Maar als het blijkbaar normaal is zich te verontschuldigen voor iets wat Nederlanders in andere werelddelen uitgehaald hebben, dan zou ik het vanzelfsprekender vinden dat sommige kerkleiders of politici es een keer iets dergelijks deden, in verband met de eeuwenlang durende geestelijke onderdrukking die in ons eigen land plaats gehad heeft.

Persoonlijk ben ik dan best bereid dat bedrag te betalen, ten gevolge waarvan iemand in zijn paspoort ‘Berouwvoet’ gaat heten.

Het algemene probleem heeft natuurlijk helemaal niet met Etty’s paspoorten te maken, maar met het probleem of iemand, in een seculiere republiek, het recht heeft een eigen idee van theocratie aan te hangen; te pogen de principes daarvan in praktijk te brengen, ongeacht het recht van anderen eigen opvattingen te hebben. Dit fundamenteler probleem van loyaliteit komt bij de blazende o zo correcte Elsbeth niet aan de orde.

De verlichte jongens en meisjes van de achttiende eeuw hebben het best moeilijk met dit probleem. Zie de mening van Van Effen, hierboven genoemd. Veel uitvoeriger komt het aan de orde in een nooit uitgegeven manuscript van Wolff en Deken, behorend bij hun Geschrift eener bejaarde Vrouw. De tekst zal van rond 1795 dateren. Ik ben bezig met de transcriptie daarvan, en geef u, deze dag en morgen (misschien ook nog overmorgen) een stukje daarvan. Dat gaat precies over de vraag in welke mate, in een echte republiek, katholieken of protestanten (u kunt vandaag de dag ook invullen: islamieten) recht hebben op het volgen van hun idee dat hun eigen soort theocratie het beste is.

U leest dan een uniek document, van belang voor de Nederlandse cultuurgeschiedenis. Het houdt u even van de straat; en ik kan aan het werk.

Toelichting. De zeer vrijzinnige schrijfsters beschrijven de opvoeding en levensgeschiedenis van het meisje Mietje, zo rond 1750. Op deze plaats in het manuscript is zij ongeveer zeventien jaar oud. Zij luistert naar een tafelgesprek, waar haar ouders, haar vriendinnetjes, en een familievriend aanwezig zijn. Die familievriend, de heer Berk, begint met een vlammend betoog over de schandalige verdrukking van de katholieken. Daar gaat een verlicht hart van open. Maar in een volgend stuk (een volgende keer pas in de Herkauwer opgenomen!) heeft vader toch zo zijn bedenkingen daarbij; leidt het toestaan van bepaalde vrijheden niet tot de ondergang van een/de republiek?.

Er is nog geen interpunctie enz. op de juiste wijze aangebracht - maar daar komt u wel uit, lezer. - Wie wil mag het document doorsturen naar Elzebettie; maar zeg er niet bij dat dit werk van de schrijfsters is ingericht op de wijze van een opvoedkundig socratisch gesprek. Anders krijgt u misschien gelazer over Plato.

'Nu was ik niet altoos meer een luisterend, een vraagend Lid onzer huiselijke bijeenkomsten. Ik waagde het nu en dan ook, hoe wel met alle bescheidenheid, zo eens mijne gedagten te zeggen; eene vrijheid die in mij wierd aangemoedigd, wijl die mijn aandagt meer levendig hielt, en mijne Ouders toonden hoe verre mijne rede vorderde. Ik zal eene der Gesprekken, in mijne papieren bewaard uitschrijven, waar in ik mij van deeze vrijheid bedient had, er in ’t voorbij gaan bijvoegende, dat ik toen zeventien jaar oud was.
Bij gelegenheid dat mijne lieve moeder verjaarde, was mijn vader er zeer op gezet om een ongemeene fraaie middag en avondmaaltijd aan zijn huisgezin te geven, waarop niemand anders verzogt wierden dan zijnen eenigen vriend de brave Heer BERK, de Heer en Mevrouw R. met hunne dochter JULIE, en mijne vriendinnen. Deeze maaltijd zoude de Lezer even onverschilllig zijn moeten, als die mij zoude geweest zijn, waar zij niet ingericht geweest, om de Verjaaring mijner dierbare Moeder, dankbaar, en vrolijk te vieren; en ten sterkste toonde, dat de huiselijke liefde mijner Ouders ruste op de aller tederste vriendschap, door de jaaren versterkt en verhoogd. Dees dag viel voor op sint Jans dag. Die was oorzaak dat wij, een groote menigte welgekleed Landvolk naar de Roomsche kerk zagen voor bij wandelen. Dit gezicht trof mijn vader; hij gaf zijn levendig genoegen te kennen, “om dat hij in een Land gebooren was en woonde, daar vrijheid van Godsdienst gevonden wierd, en elk GOD openbaar, konde dienen naar zijn welgevallen.” Het Gesprek ’t welk dit gezegde veroorzaakte, vondt ik aanmerkelijk genoeg, om het, voor het mijn geheugen ontsnapte, hoewel geholpen van mijne moeder, aantetekenen; en dit Gesprek is het eeenige, ’t welk ik van allen die er op dien dag gehouden zijn, ga mededeelen. “Wat is het voor mij aandoenlijk, ging hij voort, te zien dat iedere Gezintheid, zo gerust haar geweten volgen mag! Hoe onderscheid dit ons Vaderland van de meeste Europische Landen.”
DE HEER BERK (mijn vader aanziende.) Is dit, mijn vriend, al ten vollen waar? is die vrijheid wel zo volkomen?
VADER. Mij dunkt dat dit niet te ontkennen is.
DE HEER BERK. Zelden verschil ik met u: maar nu komt mij de zaak geheel anders voor.
VADER. Gij zult ongetwijfeld mij daar van de rede mededeelen.
DE HEER BERK (glimlachend.) Zoude het niet wat vreemd schijnen, indien wij op eenen dag, geschikt om op de aangenaamste wijs gemeenzaam door te brengen, die bestede aan het spreken over een zo zinnig onderwerp?
MOEDER. Waarom zouden vrienden als wij zijn, zich bedwingen om onze gedagten, ongestoort hunnen loop te laaten? Onze jongelieden willen zo een Gesprek met genoegen, en deelneming hooren.
IK. Daar van kan de Heer BERK verzekerd zijn, en dat dit zo is, hebben wij alle drie onze Ouders en onze waarde vriendin WARIN te danken.
DE HEER BERK. Daar ik aller toestemming heb, zal ik niet weigeren over dit onderwerp (waar over ik dikwijls dacht) u mijne gedagten, eenvoudig, medetedeelen. Deeze vrijheid is verre af van volkomen te zijn. Onder alle inbreuken die men gemaakt heeft, en bestendig blijft maken op de rechten van een vrij volk, is geene der minste dat men in ons Gemenebest ééne Dominante kerk heeft.
MOEDER. Ik beken dat mij dit altoos ook zo voor kwam.
DE HEER BERK. Hoe, vraag ik, hoe hebben dan alleen de volgers van CALVIJN alleen hun goed, hun bloed, hunne schatten, ja hun leven, opgeoffert ter verkrijging, en handhaving van vrijheid van Geweten? Waren de Verbondene Edelen, was de Graaf van Egmond en zo veele duizende voorstanders dier vrijheid Calvinistisch? Zijn de innemers van Den Briel allen protestanten? Is Leiden alleen ontzet door de Gereformeerde Partij? Waren zij het alleen die met zulk een onbezweken moed Haarlem verdeedigden, en Alkmaar voor de Spaansche vijand beveiligden? Trof het doodvonnis des Bloedraads ook niet zo wel roomsche als onroomsche Burgers? Het Gezelschap waar in ik mij bevind maakt het onnodig dit te bewijzen. Het kent de Historie onzes Vaderlandsch. Of waaren die stoute zeeuwsche hachjes die in weerwil van alle mogelijke beletzels tot voor het beangstigd Leiden door zeilden en in strijd der Spaansche Legers dat verloste en spijsde, ook misschien allen uitverkoornen Geliefden, naar de verkiezing der Genade? Die deeze Zee bonken, deeze woeste ruwe matroozen, zo meesterlijk door de pen van onzen grootsten Historie schrijver HOOFT afgemaalt, ooit wel gekent heeft, zal dunkt mij dit niet op hen durven toepassen. Hebben des de Roomsche Burgers dien rampzaligen tijd, niet (wijl hun getal verre het grootste was) wel het meeste toegebragt om Godsdienstige en Burgerlijke vrijheid op vaste fondamenten te vestigen? Hebben hunne nakomelingen des ook geen onverslaanbaar recht op alle de voordeelen dier vrijheid? En echter die voordeelen worden hen geweigert! Zij zijn ondertusschen inschikkelijk genoeg om de vrijheid van Godsdienst (in een zeer bepaalden zin) als een gunst te genieten van hen wie zij die vrijheid hielpen winnen. Naauwlijk konden de Regenten van dien tijd vrij bijeenkomen, of zij sluiten (door welke middelen staat thans niet te onderzoeken) of zij sluiten alle Roomsche burgers buiten het Land- en Stads bestuur. Zij overwegen, (met eene zonderlinge koelbloedigheid) of zij deeze Roomsche Medeburgers die met de overige ingezetenen zo dapper alle tirannij en Gewetensdwang bevochtten, en nog bleven bevegten, zullen dulden; of het waar belang van den Staat niet eischt, zo al niet alle hunne kerken en eigendommen hen te ontnemen, ten minste niet in het vrij bezit daar van te laaten?
MOEDER. bedenkt gij wel, mijn vriend, van welke tijden gij spreekt; en ook van welke menschen? Kon men, in die staatsorkanen, wel verwagten dat de aanbiddelijke Rede, dat zuivere Godsdienstige en zedelijke beginsels stand houden? Of dat wrede en opgeschreeuwde Driften niet den boven toon zullen zingen. Bedenk in welke omstandigheden zij zich bevonden?
DE HEER BERK. Goed, ik wil mij niet langer bij deeze ongelukkige tijden bepaalen. Ik weet, dat, in zulke tijden, reden van staat duizend ongerijmtheden, tegen elkander stootende strijdigheden, ja, duizende wreedheden moet goed maken, ten minste daar voor verantwoorden. Tijden waar in men alleen schijnt te kunnen kiezen tusschen vervolgd te worden, of zelf een haatlijk vervolger te zijn. Maar waarom in onze meer bedaarde tijd, waarom in ons Land deeze vrijheid geweigert? daar toch alle Secten, indien de bittere geest van bijna alle Geestelijke lieden het niet belette, voorlang zoude geleerd hebben zich zich onderling als vrienden zo wel als Burgers te beschouwen; in een land daar men reeds zo lang aan alle die onderscheiden eerdiensten gewoon is iet, ’t welk hier wel zeer zeker in aanmerking komen moet. Wie doch weet niet wat, ook op dit stuk, de gewoonte vermag? Waar om niet in een Land daar men voorgeeft vrijheid van geweten te laten; het vrij geweten in zijne rechten gehandhaaft? ô Indien het grooter getal van de dienaars eens Godsdienst die vrede en Liefde beveelt niet - gelijk men zeer verkeert zegt, met den geest van hunne orde, maar met den geest des antichrist, die zich toch reeds in het leven van PAULUS tegen alles verhief, zich niet hardnekkig kantte tegen alles wat de waare Philosophie heeft in ’t Licht gesteld; deeze christelijke verdraagzaamheid zoude hier bij onze natie, voorlang algemeen geweest zijn! Ik vraag des nog eens, waarom heeft men in ons Gemenebest, eene dominante Kerk? Wil ik het u zeggen? Om dat onze Republiek van een Gemenebest niet, volstrekt niets meer heeft dan een het volk misleidenden schijn, en ontaart is tot een zo wonderlijk staats gestel, dat men daar van een vreemdeling geen net denkbeeld geven kan. Om dat de Aristocrati-Prinselijke Regeering, ons nog niet belet geld te winnen, om dat wij onzen wijn in vrolijkheid blijven rinken, en niet om eene aanmerking van staat, als te Venetien, zonder proces worden opgehangen. ô Welke heerlijke voorrechten voor vrij gebooren menschen! Zij zijn overwaardig dat daar zo veel bloed om gestort is! Ik moet nog meer zeggen: doch om niet al te veel te zeggen, ga ik mij maar weder bij de Roomsche Ingezetenen bepaalen, want ik twijfel sterk, of de overige Gezintheden die van de Dominante Kerk verschillen, ook verdienen dat ik voor haar vrijheid iever wijl zij tegen haare heimelijke klagten aan in het openbaar beweren, wij hebben vrijheid van Godsdienst: hoewel zij slegts - geduld worden. Geduld! en vrijheid hebben, hoe dit dan gaat, daar zie ik niet door, en zij even weinig, want veelen weten zeer goed definitien te maken, en wel te redeneeren. Zo dra het handelen naar mijn geweten, mij wettige, mij billijk toekomende voordeelen kost, kan ik niet zeggen ik heb vrijheid van conscientie. Ik moet tot de Dominante Kerk behooren of ik moet afstand doen van zaaken waar op ik als Burger, een natuurlijk recht heb! Is dat vrijheid of is ontbeering ook geen straf? En als men mij daar door straft is het om dat ik mijn geweten volg. Leert zo eene handeling niet vervolgen? Wat is het beletten van mijne talenten tot nut mijner mede Burgers, aanteleggen, indien dat nut met ’t Lands Regeringsvorm strijd, toch anders dan mij, ben ik in dit geval; (en dit geval is zeer mogelijk,) mijne zaken daar door te verbeteren, of mij zelf brood te bezorgen, mij mijn eigendom on te maken; en mij dus van het mijne te berooven. Lijd mijn eer minder door onbekwaam verklaart te worden voor zeker ampt, als daar door dat dat men mij dat ampt ontneemt? en nogthans las ik onlangs in eene gedrukte redevoering uitgesproken in eene vergadering die geduld word, als zijnde niet oproerig, eene plaats die mij het bloed naar ’t hoofd joeg, en die ik, als een vrij mensch naauwlijks uit leezen konde: (Hoe laf, hoe laag): de Leeraar die ik bedoel bedankt opentlijk en op den Predikstoel; de hooge Regeering deezes Lands! waar voor? - “Voor de dierbare vrijheid die hij en zijne Gemeente genoot, waar door zij allen GOD naar hun geweten konden dienen, in het openbaar dienen! en ’t welk deeze hooge regeering hun vergunde.” Vergunde! ik las dit woord met verontwaardiging. Hoe, in eene Republicq vergunt men deeze vrijheid, aan een Burger! aan een Burger die het wettigst recht heeft vrijheid van Godsdienst te eisschen! En zo een man heeft nog de stoutheid voor de vrijheid vaersen te maken... Maar die zelfde man maakte dit compliment in den zelfden tijd, dat hij alle zijne groote vermogens, alle zijne vlijt besteedde ter verdeediging van de voorrechten zijner Kerk, tegen eenige Pausen der Dominante Kerk!
Maar ik wilde alleen van de Roomsche Burgers spreken! Waarom zijn hunne Gods huizen de eenigste niet bevrijd van ’s Lands imposten? Waarom mogen zij niet in ’t oopenbaar hunne Bisschoppen hebben? Waarom zijn zij in veele plaatzen verstoken van het Recht om kerken te bouwen? Waarom mogen zij hunne ommegangen niet buiten hunne kerken houden, hunne priesters niet in hun plegtgewaad verschijnen daar dit toch zelf den Jooden (en dit behaagt mij zeer) vrijstaat? Waarom laat men toe, dat zij voor de vrijheid, om eenen nieuwen Priester te mogen aannemen, Schout en Baljuwen de handen vullen? Indien zij vrijheid van Godsdienst hebben, waarom zijn zij dan genoodzaakt, als zij het laatste sacrements aan stervenden brengen, hunnen lieve Heer even of het een sluikwerkje waar zorgvuldig in hun zak te verbergen?
Wij hadden allen met veel aandagt naar den Heer BERK geluisterd: ik voor mij vond zo veel waarheid in hetgeen hij zeide, dat ik met verlangen het antwoord van mijnen vader afwagtte: en om te zeggen zo als het is, ik voor mij was nog te onkundig, te weinig geoefend om te kunnen bevatten, dat daar veel tegen in te brengen zijn zoude: evenwel dagt mij dat mijn vader, en juffrouw WARIN, zich over dit alles niet ontrustte; ik zag aan hun gelaat dat zij verlangden den Heer BEEK te antwoorden. Zie hier het antwoord van mijnen
VADER.

(wordt vervolgd)

Geen opmerkingen: