maandag 26 februari 2007
De Herkaauwer van 1815-1817 wordt, zo deelt men in het eerste nummer van 1815 mee, geschreven door een (fictief) gezelschap. Dat bestaat uit personen die verschillend denken: een oude heer, een israeliet, een jonge man, enzovoorts. Samen bespreken zij de gebeurtenissen van hun tijd, en de meningen daarover van hun tijdgenoten. Alles moest, menen zij, allemaal maar es wat bedaarder overwogen worden dan de afgelopen negentien jaar het geval geweest was. De ellende was toen niet te overzien.
Maar een titel voor hun tijdschrift? Ze komen er niet uit.
‘Wij zouden er misschien nooit op gekomen zijn, ware niet ons jongste medelid te midden van onze discussiën daarover, denkelijk uit verveling, opgestaan, om zich naar het tafeltje met ververschingen, hetwelk in eenen hoek van onze raadkamer geplaatst was, te begeven, en met een boterham met gerookten zalm in ons midden terug te komen. De jongeling at smakelijk, sprak geen woord, zag ons vriendelijk en vergenoegd aan, als of hij ons noodigen wilde, zijn voorbeeld te volgen, en, van dat zelfde oogenblik af aan, was de zaak beslist.
De Herkaauwer derhalve! -
Nu - wij zullen herkaauwen, en wel moge het ons en onzen lezers bekomen!’ (p. 3)
Die boterham-met-zalm is typerend voor de Kinkeriaanse, en in het algemeen voor de wat Sterniaanse stijl van die dagen. Abstracte zaken worden, tongue-in-cheek, terloops verlevendigd met behulp van aan concrete alledaagse dingen.
Op een beetje vergelijkbare manier volgt daarop een zogenaamd onderzoek naar wat biologen en culinaire lieden als de toenmalige Johannes Van Dam (of Marleen Willebrands-van der Molen. Meisjes: zie haar historische kook-site) te melden hebben over het nut van herkauwen. Daarop volgt:
‘Wij weten wel dat onze zedelijke lekkerbekken, of, laten wij liever zeggen, sloköpppen, bij welke het leven om te eten meer geldt, dan het eten om te leven, [...]
zich daardoor niet zullen laten afschrikken. [...] Maar, ook uit hun oogpunt beschouwd, prijst zich de theorie van het herkaauwen met zeer veel nadruk aan. Zij, die zich deze kunst eigen gemaakt hebben, eten tweemaal voor eens, en dezelfde kosten; en de tweede maaltijd is buiten tegenspraak de smakelijkste. Ziet men het niet aan de vreedzame en gemakkelijke houding van de con amore herkaauwende koe, dat zij bij deze hare dagelijksche operatie geheel genot is [...]?’ (p. 4-5)
Kijk, lieve historici; in deze stijl kan straks bijvoorbeeld het voor en tegen van de nieuwe grondwet in discussie gebracht worden.
Dus even niet dat vaderlands-benauwde gezicht trekken, en mompelen dat u als eerstejaars geleerd hebt dat fictie niet gebruikt mag worden als bron voor ‘historische waarheid’. U bent de enige soort historici ter wereld die daar voortdurend moeilijk over doet. Elders gebruiken uw collega’s rustig Pope of Swift om bepaalde ideeën in de beschaving van die tijd te illustreren, de zusje Brontë om iets over de positie van de vrouw te zeggen; en wat en wie al niet meer. U moet dus niet zo zeuren, en bijvoorbeeld es gewoon zeg Weyerman lezen om echt gevoel te krijgen voor wat er rond 1725 aan de hand was.
En niet zaniken over het feit dat een schrijver wel es een metafoor gebruikt, en dat u toch maar liever een proefschrift schrijft over hoeveel botters in Urk aanlegd hebben tussen 1768 en 1772. Al geef ik toe dat het toch veel inzicht geeft wanneer u in een bijlage vermeldt voor hoeveel geld de vissers op hun visafslag toen al de staat tilden, volgens de notulen van de Urkse kerkeraad.
Nog een goede raad voor die eendagsvliegen die journalisten en bloggers zijn. In het eerste nummer van de Herkaauwer van 1815 begint een stukje ‘poëtisch proza’, gericht ‘Aan den Tijd’, zo:
‘Eeuwige kaauwer en herkaauwer aller dingen, die met eene schijnbare wreedheid, maar daarom niet minder met eene vaderlijke toegenegenheid, uwe eigen kinderen (en, onder deze, de periodieke schrijvers met eene meer dan gewone gretigheid) verslindt, en nooit beter dan bij de menigvuldige omwentelingen en tegenomwentelingen der wereld te gast gaat! wek ons op met uwe nimmer rustende invloed, en scherp ons gebit met die zelfde werktuigen, waarmede gij uwe alles afmaaijende zeissen aanzet.’ (p. 13)
woensdag 27 februari 2008
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten