woensdag 27 februari 2008

Het meisjesgenootschap (rond 1750) 1

woensdag 11 april 2007


Wolff en Deken publiceerden hun boek over de ideale opvoeding van het meisje Mietje in 1802: Geschrift ener bejaarde vrouw. Een vervolgdeel werd nooit gepubliceerd; maar er bestaan nog wel handschriften met (een deel van) de kopij. Een selectie uit dat alles zal eind 2007 verschijnen.

Een fragment uit die handschriften vindt u vandaag en in de volgende afleveringen van Herkauwer. Het is niet zeker of dit stuk in de druk-2007 zal worden opgenomen. De tekst is hier nog niet bewerkt of herspeld.

De scene speelt wanneer Mietje ongeveer zestien jaar oud is. Zij heeft haar Amsterdamse vriendinnetjes verzameld. De meisjes gaan genootschapje spelen, zoals dat hoort rond 1750 (dan ongeveer leeft zij); ter voorbereiding van het leven in de ‘grote wereld’.


De ouders mijner vriendinnen hadden, met de mijne, overleid dat Wij jonge lieden deezen Winter een Cransje zouden hebben. Op eenen voordemidag eens allen bij elkanderen zijnde om te beraadslaagen wat wij in ons klein Gezelschap, in zulke lange Wintersche Avonde, toch wel best zouden uitvoeren, staaken wij onze wijze hoofdjes bij elkanderen. JANSJE oordeelde, dat wij ten minsten om den veertien dagen, een uur of twee speelen moesten; dat wij nog wel wat lessen van JULIE noodig hadden om met Glans in de waereld te kunnen verschijnen, daar het spel toch een behoefte voor de meeste Gezelschappen geworden was.
COOSJE en ik zagen elkanderen aan. Wij dachten het zelfde over de toegeeflijkheid onzer lieve JANSJE die zo zeer gestemd was tot zagten stillen ernst als maar weinig jonge lieden. Zij wist zich altoos te schikken naar de omstandigheden.
CEETJE. Wel JANSJE, welk een booze geest gaf u dit voorstel in? Ik ben de kaarten zo moede dat ik er niet van mag hooren; ik kan die lelijke, scheeve, miskleurde smoelen niet meer uitstaan en als ik de malle sleeplenden van koninginnen zie, die, al draagen zij bloemen in Haare handen, toch voor mij heel naar Gezelschap zijn, dan wensch ik dat ik in het doolhof mogt zitten, om in ge[z]elschap van de vorstin van Sebaa aldaar Zalomons wijsheid te hooren. En zie daar, de zotte kaarten zijn echter de Famieljebanden; alle mijne vrienden zijn zo op haar verzot, dat ik er niet teegen kikken durf als men voorsteld met haar den avond doortebrengen. Men zoude mij verdenken van Neuswijsheid, ja misschien van gebrek aan achting en vriendschap. Indien de meeste stemmen zich echter voor het spel verklaaren, dan stem ik het Tolletje en gansenbord.
JULIE. Wij moeten wat halfwind zeilen. Hoe CEETJE, om dat Gij reeds moede gespeeld zijd, zoud Gij ons daarom willen beletten onze beurt te kreigen? Gedenk dat wanneer wij eens als vrouwen en Moeders, in de Gezelschappen zullen toegelaaten worden, het spel zo broodnoodig zullen hebben als een weinigje praatzucht. Dan heeft men geen recht op een stoel zo men niet, ten minste wat Naaldenwijs in het Ombren is. Laaten wij des zomweile speelen in eene Beurs en als de winter om is, alles aan den armen geeven.
CEETJE. Indien ik mijn geld daar ook toe moet schikken, dan word mijn eisch nog dringender. Ik verzoek, in dit geval, dat het kaartspel werd dóórgehaald?
IK. En waarom dat?
CEETJE. O waarom? waarom? - Om dat ik altoos alles win, en als ik nu zal speelen met u allen, die regte Niewelingen in dit fraaje tijdverdrijf zijn, zal ik mijn Beurs niet behoeven mede te brengen. Neen, neen, het Ganssenbord; dan kund Gij mij, met u allen, nog in het Gevangenhuis brengen, of in de put; ten minste op de Brug laaten koekeloeren; want van dat lelijk scharminkel de dood, daar wilen wij niet van spreeken (wij lachten). Neen, als ik aalmoesen geef, geef ik van mijn eigen goed.
COOSJE. In ’t hasard speelen zal ik nooit stemmen, en ook: die zijn (of ’t wat hielp) wijselijk verbooden.
CEETJE. Nu Gij zijd gewaarschouwd. Fiat, kaartspeelen! Gij COOSJE zult, met JULIE, de Beurs bewaaren.
COOSJE. Ik verzoek dat als men bedieningen geeft, niet te moogen in aanmerking koomen; voor JULIE sta ik in dat zij even weinig ambietie heeft.
IK. Laaten wij nog niets vaststellen, doch dewijl Gij beiden groote liefhebsters zijd van goede werken, bewaar ik mijne stem voor u beiden.
JULIE. Ik neem het voor ons beiden aan, wijl de keus van het Gezelschap onze inschikkelijkheid verdient.
COOSJE. Goed, onder twee voorwaarden.
IK. Welke voorwaarden?
COOSJE. Deeze: dat CEETJE ons onderwijsd in de diepe geheimen deezer gewichtige kunst en eene beslisschende stem heeft in twijfelachtige gevallen.
CEETJE. Wat zegd gij, eene beslisschende stem? Kend Gij dan den Mensch nog zo weinig dat Gij het recht van te beslisschen zo maar overgeefd. Mij dunkt COOSJE, uwe voorzichtigheid is tans niet in haar Comtoir.
COOSJE. Ik weet zeer wel dat het recht om te beslisschen dikwijls misbruikt word ten nadeele dier dwaazen, die dat afstaan. Maar uwe Eerlijkheid, groote kundigheid in de wetten van het spel, stellen ons gerust. Gij zult, Gij kunt dus geen misbruik maaken van het recht dat wij u opdraagen.
CEETJE. Wel, om de waarheid te zeggen, ik durf voor mij instaan, en ook als ik mijn macht misbruik dan staat het nog altoos aan u mij, die te ontneemen, te meer wijl gij die niet erfelijk hebt gemaakt hebt in de mannelijke en vrouwelijke linie; anders zoude ik u nog eens een Huis vol werks geeven.
IK. Ik heb nog eene rede om u CEETJE dit recht optedraagen, en het is geene geringe verzeeker ik u.
ALLEN. Laat hooren, welke is die rede?
IK. De groote kundigheiden die CEETJE bezit in het spel, stellen Haar in staat om Haar aandacht elders te gebruiken. Zij kan dus letten op de driften die door onzen voor- en teegenspoed worden opgeroepen, en zij zal eene dubble boete vorderen van Haar die niet kunnen winnen zonder zich te verhovaardigen, noch verliezen zonder ingetrokken en geemlijk te worden.
CEETJE. Vermids ik zedig geloof tot dat werkje eenige geschiktheid te bezitten, neem ik dien post op mij; ik zoude ook kunnen zeggen om dat ik, onder zo veele kleuters, de oudste ben. Doch ik weet niet of dit mij in staat zoude stellen tot deeze Waerdigheid. Mij dunkt dat ik ergens geleezen heb, men kan tachtig jaar ouder zijn zonder een Haar Wijzer of beter te zijn dan anderen. Nu, weest wel op uwe hoede! ik meen niet slechts, als de woekeraar (de oude CATO), maar als de rechtvaerdige ARISTIDES, mijn amt van zeedenmeesteres waar te neemen, ’k wil zeggen, getrouw en zedig.
COOSJE. Ik wil hoopen dat dit zeedenmeesterschap u niet te veel moeite zal kosten. Evenwel ik vrees, of gij dit wel gemaklijk zult vinden!

(wordt vervolgd)

Geen opmerkingen: