donderdag 12 april 2007
(vervolg)
IK. Zullen wij slechts nu en dan een heelen avond, of op ider bijeenkoomst, een uur of twee speelen?
COOSJE. Wat zeggen de vriendinnen?
JULIE. Ik stem voor, om de veertien dagen een geheelen avond; hier vind ik de meeste economie in. Tafeltjes zetten en kaarten zoeken is voor vier of twee uuren, eene moeite. CEETJE is billijk uit overhelling haarer natuur. Hoe gerust kan ik mij haarer uitspraak onderwerpen, ook als ik dubbeld zal moeten betaalen. Ja, ik zie er, voor mij, nog al eens voordeels op.
IK. In dubbeld te betaalen?
JULIE (mij op mijn wang tikkende). In de geleegenheid die ik zal krijgen om proeven op mij zelf te doen, en dus beter te weeten van welk een gehalte mijne Deugden en gebreeken zijn.
JANSJE (zeer beleefd voor Julie, buigende). Het is aan verstandige Lieden eigen, met alles hun voordeel te doen. Het kaartspel zelve is voor Hen onderwijs in de zelfkennis.
JULIE. Onze lieve JANSJE heeft altoos iets streelends aan haare vriendinnen te zeggen.
IK. (haar invallende). En dat, hoewel zij te oprecht is om ooit te vleijen.
CEETJE. O Hoe veel geleegenheden zullen er, voor mij, in dit Gezelschap zijn om veel te leeren en veel goede gedachten te verzaamelen!
COOSJE. Eevenwel ni[e]mand onzer houd van Munnikenwerk.
CEETJE (ernstig potsig). Denkt Gij dan dat ik, zo een dame de belair, niet te verbeteren ben?
COOSJE. Deeze vraag kund Gij niet doen dan uit plaagachtigheid: het is mij lief dat niemand die beantwoord.
IK. En ik geloof dat wij elkanderen in zedelijke waerde en verkreegen kundigheid niet ontloopen. In ’t oog gehouden zijnde dat Gij, CEETJE, de oudste zijd.
COOSJE. Zullen wij niet een avond Muziseeren? Wij zouden, met ons allen, een klein Conzert kunnen maaken.
IK. Mijne Ouders hebben, weet Gij, een fraai Cabinet printen en Tekeningen. Die moeten wij, als het gezelschap aan ons Huis is, onder het Oog mijner Moeder, zien.
CEETJE. Beiden kunnen wij doen, doch ik verklaar mij voor het maaken van fraaie Handwerkjes; terwijl ider, op zijn beurt, als wij eens niets te praaten hebben, de Werkende Leeden onze beste auteuren voorleest.
JANSJE. O dat is goed als wij met onze Ouders en Hunne vrienden in Gezelschap zijn; dit is Hunnen smaak.
CEETJE. Dat gaat aan als onze Ouders dien smaak hebben; maar daar zijn zeer veele braave liefhebbende Moeders wier geheele lectuur bestaat in een half douzijn stichtelijke Boekjes van den ouden tijd, en nie[u]we Almanakken. Zij zijn van Salomons tijd en volk. Zij zeggen ook ‘Veel leezens is vermoejing des geestes’.
IK. Ik hou van vrijheid: laaten wij niets vaststellen en onze avonde besteeden met leezen, praaten, speelen, muzieseeren, printen zien, al nadat wij geheumeurt zijn.
Dit wierd goed gekeurd.
COOSJE. Maar moet ons Gezelschapje niet een spreuk of zoiets hebben? Dit toch is vrij wat in de mode.
IK. Kijk, daar dacht ik niet aan! Hede ja, wij moeten zo iets uitvinden.
JULIE. Ik heb gehoord dat COOSJE en MIETJE puur heele Dichteressen zijn, en ik heb er, dunkt mi,j bij gehoord (of ik moest het gedroomd hebben) dat de poëtische genie nooit zo verbaasd sterk uitschittert dan als zij lange lettergreepe schept; zo men ons Cransje noemde het antiepithagoresch Gezelschap? Ik voor mij, neem voor eene boete te bepaalen, voor elk die onder het spel, een enkel woord dan een kunstwoord spreekt; er bij voegende: zij die onder het spel meest praat zal dien avond een Fauteul hebben, wijl zij onze sex de grootste Eer aandoet. Zie mij zo verwonderd niet aan, MIETJE, de Faam heeft uw beider dichtkundig talent uitgebazuint.
IK. In dat geval, is de faam een Leugenachtig schepsel.
JANSJE. Men geeft Haar ook na dat zij in geen groote vriendschap leefd met de Waarheid.
COOSJE. Ik spreek niet van MIETJE, maar ik voor mij kan nog minder te recht met de Dichterij dan met het kaartspeelen, waar van men mij poogde eenig begrip te geeven. Ik heb niet, het geen JULIE noemd: le Esprit du jeu.
JANSJE. Wij moesten het maar het vriendinnen Gezelschap noemen; dit doet veel af en heeft niets geleerds.
JULIE. JANSJE, Gij laat u geheel door uw hart bestuuren.
IK. Ja, maar JANSJES hart staat altoos onder het bevel der Rede; het kan des niet dwaalen.
JANSJE (bloozende). Ik weet niet waaraan ik zulke gunstige gedachten moet toeschrijven!
IK. Aan uw lief hart en aan onze kennis van dat hart.
COOSJE. Wat oordeelen de vriendinnen over deeze? ‘Zo voorbereid, is de Waereld niet gevaarlijk’?
CEETJE. Eerst een woordje over JANSJES zinspreuk.
JULIE. Ik verzoek gehoord te worden! JANSJE schijnd te vergeeten dat men, vrij algemeen, heeft aangenoomen: geen vrouwen en veel minder meisjes kunnen vriendinnen zijn! Als wij het eens noemde: ‘Het Nachthutken in den Comcommerhof’?
COOSJE. JULIE heeft zeker geest genoeg om van dit Nachthutke iets bezienswaardig te maaken, ook toegepast op ons gezelschap; en indien MIETJE Haar een handje leende, zouden wij, met een vroolijken lach, Haar hier over kunnen hooren. Maar, ik weet het niet, dit Nachthutke is mij te Oosters en veel te geleerd ook. Laaten wij ons Gezelschap, slegt en regt, ons Cransje noemen?
IK. Goed, ons Cransje; en te meer, wijl JULIE en CEETJE zulke bezondere vriendinnen zijnde, veel zullen toebrengen om ons Cransje in stand te houden.
Beiden voelden die zet. Haare oogen ontmoete elkander. Zij waaren wel te vreden dat ik den eersten stap deed, die zij nog niet gedaan hadden; hoe zeer zij ook overneigden tot, en berekend waaren voor elkanderen. Zij omhelsden elkander hartelijk en lagen den grondslag eener zuiver onveranderbaare vriendschap.
(wordt vervolgd)
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten