woensdag 27 februari 2008

De ketters van Tuinman (1729) 3

dinsdag 10 april 2007


Door bemiddeling van Gerrie Wisse kunt u kennis nemen van een aantal gedichtjes van de Middelburgse gereformeerde dominee Carolus Tuinman, vooral over ketters. Vandaag wat diverse personen. (1)


XVI.

JAKOB BRIL.

Dit’s Jakob Bril. Daar steekt een Vrygeest in zyn vel,
Die zich bedrieglyk wil door brabbeltaal bedekken.
Zyn boek hoe zeer verwart, kan tot een bril verstrekken,
Om klaar te zien in die geheimen van de hel.

XVII.

[F]REDERIK LEENHO[F].

Hier ziet men Leenhofs beeld. Vraagt ymand, wat doet gy
In prent dus afgeschetst? De reden zal hy hooren.
Als Leenhof stierf, was maar ’t fatzoen aan hem verloren.
Behoud hy noch fatzoen ’t is slechts een schildery.

XVIII

MARINUS BOOMS.

Schoenmaker, zo gy waart gebleven by uw leest,
En niet hardnekkig van de waarheid afgeweken,
Daar zou een beter man in veeler schoenen steeken:
Wyl gy aan menig tot verleider zyt geweest.

XIX

GOSUINUS VAN BUITENDYK.

Verleid verleider, van den preekstoel uitgebraakt.
Gy speelt voor lichaamsarts; maar zoekt de ziel te moorden,
Van die naar ’t pestvergift van uwe drogtaal hoorden.
O wierd het rasphuis tot uw oefenschool gemaakt!

XX

N.N.
Doodelyk gebrand door’t springen van een distileerglas met sterk water.

Gy had, รด N.N., tot een broednest van ’t gespuis
Der ongodisten, lang uw Altena gegeven.
De vlam, door ’t bersten van een gals, benam u ’t leven.
Gy quaamt den Duivel dus wel gaar gebraaden t’huis.



(1) Zij komen voor (afdeling: Byvoegzel) in Rymlust: behelzende I. Het ongerijmde Pausdom, met eene rommelzode van Paapenheiligdom. II. Uitspannings uitspanning. En III. Rymproeve. Alles tot betoog van de rymrykheid der Nederduitsche taal. Noch een byvoegzel van gedichten. Door Carolus Tuinman. Middelburg, Michiel Schryver, 1729. ZB 1057 E 27.

Geen opmerkingen: