maandag 5 februari 2007
Bij de voorbereiding van een teksteditie van het laatste grote werk van Wolff en Deken, het Geschrift eener bejaarde vrouw waarvan de twee eerste gedrukte delen in 1802 uitkwamen, stuit men af en toe op passages waarvan de inhoud ons vreemd kan voorkomen. Zo het volgende stukje, te vinden dl. I p. 220-222.
Aan het woord is de vader van het kleine meisje Mietje (het is de geschiedenis van Mietjes opvoeding tot vrouw die in dit werk beschreven wordt). Deze vader is een Amsterdams koopman; een vrijzinnig-religieus en tevens verlicht man. Vader en Mietje bevinden zich in hun buitenhuis aan de stadsrand. Mietje heeft vader gevraagd naar de status van vaders pachtboer, en hoe het komt dat vader met die boer als met een gelijke kan omgaan:
“VADER. Neemt hij slegts voor ons het akkerwerk waar, betaalen wij hem daar voor, en komen alle onkosten voor ons op; voeden wij hem en zijn huisgezin, (zo als wij JAAP doen,) dan is hij onze bediende, en verpligt, ons met uiterlijke hoogachting te behandelen: en dat, zo lang als hij in onzen dienst blijft. Maar huurt hij mijn land, dan kan ik dit niet eischen. Wil ik, dat hij mij dienst doe, dan moet ik dit met heuschheid vraagen; weigert hij mij dat, dan mag ik zeggen: gij zijt geen vriendlijk buurman, gij bewijst niet gaarn, zie ik, een dienst; bewijst hij mij een dienst, dan moet ik hem bedanken, op eene wijs, die voor hem het gevalligst is; en ik moet hem ook dienst doen. Denk niet, dat ik een man, die mijn land voor mij bewerkt, gelijk stel met eenen, die mij in huis dient. Hij houdt zig meer met den mensch betaamende beezigheden op. Zijn door spitten gekromde rug, zijn verbrand gelaat, het eelt in zijne gespierde handen, geeven hem iet eerwaardigs bij mij. Hij is man, hij is vader; welke titels voor een vrij mensch! Hoe veel nader brengt hem dit aan mij! Mijn huisknegt verkoopt zijne vrijheid; hij hangt des van mij af. En waarom doet hij dit? Uit luiheid; hij kruipt liever, dan dat hij werkt. Ik denk altoos ongunstig over gezonde sterke kwanten, die, uit verkiezing, liever beezigheden verrigten, die der vrouwen eigen zijn, dan op het land of in de stad hunne handen gebruiken, om zig zelf brood en vrijheid te bezorgen! Ik zonder onze koetsiers alleen uit; die doen het werk van een man. In den dienstbaaren staat, zijn ook laager ondeugden, dan in alle anderen, die de mensch voor zig verkiest.
Met mijn boer kan ik lachen en praaten, een glas wijn met hem drinken; ja, aan mijn tafel met hem eeten, maar niet met mijn lijfknegt.”
Hier ontmoet men dus onverwacht de idee dat een huisknecht een bediende, minder menselijke waarde heeft dan een boer of een zelfstandige.
Dat herinnerde mij aan een feit dat mij ooit verbaasde: bij de besprekingen over de nieuwe grondwet in de jaren 1795-1798 was het voor iedereen duidelijk dat mensen die in een livrei liepen of gekozen hadden voor het beroep van bediende, beslist niet stemrecht konden krijgen. Die opvatting kan men ook regelmatig vinden in tijdschriften van die tijd. Misschien ook wel in de onlangs door Joost Rosendaal uitgegeven grondwet van 1798 (ik heb dat niet nagezien) die in het algemeen toch van veel fundamenteler democratische principes en praktijken uitgaat dan de grondwet van 1848, die nog steeds door vele slecht-geïnformeerde historici beschouwd wordt als de eerste grondwet van Nederland.
Blijkbaar is de idee dat obers, dienstmeiden en vergelijkbare personen geen stemrecht verdienen ook aanwezig in het Geschrift eener bejaarde vrouw. Dat werk is gezien de datering ‘1794’ van het voorwoord van deel I, in 1794 al tenminste gedeeltelijk geschreven. De schrijfsters kan bepaald niet een gebrek aan revolutionaire gezindheid worden verweten: nog in 1798 steunden zij de meest radicale groeperingen.
De opvoedkundige uitleg van vader verklaart het een en ander. Livreiers en al zulk soort mensen, zijn lieden die in beginsel een serviele aard hebben. Het ligt niet in hun aard zelfstandig iets aan te pakken, een eigen bestaan op te bouwen, en de verantwoordelijkheid te accepteren die daarbij hoort.
Het is de vraag of wij, heden ten dage, zo’n redenering kunnen overnemen voorzover die beoogt: uitsluiting van het stemrecht.
Het is wél boeiend te merken dat echt serieus genomen wordt: de idee dat iemand verantwoordelijkheid moet willen dragen, wil hij volwaardig burger zijn van de Republiek. Dat kan de vraag opwerpen inhoever wij vandaag de dag daar niet een beetje al te lichtvaardig mee omspringen. Inderdaad, waarom zou je ook stemrecht moeten verlenen aan diegenen die door woord of gedrag aangeven dat zij niet willen meedoen, niet een bijdrage willen leveren aan het algemeen welzijn, niet willen werken, maar alleen willen profiteren? De burgers van zeg het Athene van Pericles zouden ons voor gek verklaard hebben; en eigenlijk alle burgers van alle democratiën uit het verleden.
Voor vrijwel alle schrijvers uit de Verlichting, in allerlei landen, houdt democratie nooit in: het gelijke rechten geven aan diegenen die zulke rechten niet verdienen, of nooit verdiend hebben. Die idee is hun beslist vreemd. Verantwoordelijkheid staat bij hen altijd voorop; en tevens de vorming van een ook publieke moraal bij het individu.
Dat laatste is overigens niet de mening van de hooggeleerde Andreas Kinneging, die in dikke werken als Geografie van goed en kwaad (2003) beweert dat alle kwaad van de Verlichting komt, en dat het hedendaags hedonisme en slikken en snuiven daar rechtstreeks uit voortkomt. Wie zijn teksten leest, valt van de ene verbazing in de andere. Kennelijk heeft de heer K. nooit kennis willen nemen van de honderdduizenden teksten (tienduizend mag ook; of duizend; nu ja - honderd? dat zou ik al meegenomen vinden) uit de Verlichting zelf, waarin tot vervelens toe het belang van moraal, moraal en nog eens moraal benadrukt wordt. Wetenschappelijk kan ik dus zijn benadering beslist niet noemen. Maar misschien worden K.’s geografische inzichten wel bepaald door het feit dat de windstreken op zijn kompas bepaald worden door een andere, geheime pool. Misschien is de pool van de hooggeleerde wel gemagnetiseerd door het een of andere vers uit de brieven van die oude heer Paulus van Tarsus; en trekt hij, omdat hij daarvan wil uitgaan, de rest van cultuur en beschaving moedwillig uit verband. Zo te doen, is een voorbeeld uit het oude handboek apologetica, getiteld Geografie van valsheid en leugen; met die annex over morele argumentaties als bij het probabiliorisme.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten