maandag 12 februari 2007
‘Mis je het onderwijs niet?’ Dat is een regelmatig terugkerende vraag, sinds ik afscheid genomen heb van de universiteit. Dat vroeg gisteren (zondag!) ook een bij mij langswaaiende studente die een kopie van enkele handschriften van Wolff/Deken kwam ophalen. Die gaat ze voor mij transcriberen en intikken. Zo krijg ik wat meer lucht om alles af te maken wat ik beloofd heb te doen (te veel). Zij zelf is of gaat nog bezig met een scriptie, en zo zijn er nog enkele anderen studenten met wie ik regelmatig te maken heb, naast promovendi. In die zin heb ik nog flink wat te doen met onderwijs.
Maar dat bedoelde ze niet met haar vraag, en zo vatte ik het ook niet op. Ze bedoelde onderwijs in de zin van college geven.
Kennelijk heerst er een idee, misschien sinds Theo Thijssen, dat college geven (‘les’, heet dat tegenwoordig bij onze studenten die in ons volgens deskundologen ieder jaar sterk verbeterde onderwijssysteem nauwelijks de tijd meer krijgen om met een vak vertrouwd te raken) vaak een soort hartstocht is, een roeping.
Van dat idee krijg ik altijd een wat raar gevoel. Ik moet dan op de een of andere manier denken aan bedenkelijke padvinderleiders die zo graag hun vrije zaterdag opofferen om de enthousiaste jeugd knopen splitsen te leren. Misschien hoor ik daar ook liever niets over omdat indien echte volwassenen iets dergelijks vragen, dat soms onderwijsbeesten zijn die voortdurend didactische observaties om zich heen strooien; terwijl ik zelden gemerkt heb dat juist zulke figuren ook iets inhoudelijks mee te delen hebben. Maar dat is een verhaal apart.
Trouwens - onderwijs: daar horen die tamelijk vreselijke dingen bij als elke week opgescheept worden met tientallen nota’s (of hoe die ook genoemd worden) van eerstejaars waarvan je inhoudelijk niets hoeft te verwachten (niet erg); die gecorrigeerd moeten worden op nootsystemen en wijze van titelbeschrijving - en dat bij elke nota opnieuw want ze kijken nooit naar mijn correcties. Enzovoorts. En onderwijs is soms een sluitpost omdat nu eenmaal verwacht wordt dat alles voorgaat: examencommissies, opleidingscommissies, visitatiecommissies en wat al niet.
Maar ja... het hééft toch soms iets. Het is niet leuk, maar wel een uitdaging om in het donker in de winter weg te rijden, een krant te kopen, en dan om kwart voor negen ’s ochtends (zo werkt het in Nijmegen) geconfronteerd te worden met tientallen ongeïnspireerde gezichten. Hoorcollege voor eerstejaars.
Ik pak mijn tas uit en begin voor het front van de troepen de nog ongelezen krant (liefst de Volkskrant) katern voor katern kapot te scheuren of in de prullebak te duwen. De meute kijkt ietwat bevreemd of ontzet toe. Tot ik een halve pagina overhoud. Die vouw ik zodanig dat er een klein octavootje ontstaat. ‘DIT is alles waaruit een van die beroemde tijdschriften uit de achttiende eeuw bestaat.’ Ik geef aan wat erin staat, en waartoe de uitvinding van de periodieke pers uiteindelijk leidt: de ontwikkeling van een publieke ruimte voor discussie, en tot websites en weblogs.
Of: ‘Hoe heet u?’ ‘Marieke’ (ze heten altijd Marieke, Mieke, Marijke, Annemarie of zoiets tegenwoordig).
En u? ‘Willem’.
‘Mooi. Marieke, Willem is verliefd op je. Helemaal in katzwijm.
[Marieke giechelt nerveus. De zaal begint iets geïnteresseerder te kijken.]
Als dat soort liefde begint te ontstaan; in de achttiende eeuw dus en niet eerder; tref je voor het eerst echte liefdesverklaringen aan in romans. In een beroemde roman, de Julia van Feith, komt Willem Marieke tegen - ze heten daar: Eduard en Julia.
Eduard, Willem dus, is totaal overstuur van Julia. Willem zegt daar tegen Marieke dat ze het liefste is dat volgens hem op de hele wereld bestaat. Hij zegt: Marieke, je bent het liefste tussen worm en engel. -
Leuk, Marieke?’
Dat vindt Marieke maar zo-zo; want die engel is tot daaraantoe. Maar die worm... geen vrouw vindt het leuk hoe dan ook iets wormerigs te krijgen. Dat lijkt die liefdesverklaring toch wel te impliceren. Dus Willem/Eduard is voorlopig even een slijmerd.
De zaal is er behoorlijk bij, op dat moment. Dat is dus de mogelijkheid om over te schakelen naar de keten der wezens, de zijnsladder, de fysicotheologie en het gebruikelijke tamelijk statische wereldbeeld van de achttiende-eeuwer, in vrijwel alle teksten op de achtergrond aanwezig. Daarin zit op de sporten van de ladder van het bestaan alles op zijn plaats, van het laagste (de worm) tot het hoogste (engelen). Zoals de schepper het blijkbaar bedoeld en ingericht heeft. Marieke/Julia zit in de optiek van Eduard/Willem op een heel aardige plaats. Ze zit een beetje in het centrum van alles, tussen de puur-geestelijke en puur-stoffelijke wezens.
Marieke is dan weliswaar niet het neusje van de zalm: een serafijn (hoogste van de soorten engelen; reden waarom in talloze liefdesgedichten de Roosjes, Fylissen en Liesbetjes seraf genoemd worden). Maar dat kan ook niet, in dit wereldbeeld.
Daarop volgt weer van alles. Ze begrijpen zelfs dat het enorm schokkend is als de scheppingslijn niet meer van boven naar onder gaat lopen, maar van onder naar boven: een andere opvatting over wat uit elkaar volgt in de schepping (schepping?). Dan kan iedereen van zijn sport af, er zijn geen vaste door God verstrekte plaatsen meer in de bioscoop van het leven, vaste maatschappelijke verhoudingen en machtsposities zijn niet noodzakelijk, en vanzelf volgt de revolutie van 1787 (en dat gezeur over de Bastille, in de schoolboekjes het voorbeeld voor Nederland, volgt pas later). Er moet politiek-getinte literatuur ontstaan. Ha! wat gebeurt daar allemaal?
Enzovoorts. Dit is eindeloos.
‘Mis je het onderwijs?’
Nou nee. Ik ben geen didacticus. Het is veel leuker om aan een teksteditie te werken.
Toch....
Vorige week was ik aanwezig bij de inaugurele rede van een nieuwe hoogleraar in mijn branche. Het was een Heel Belangrijke speech, over de vraag in hoever literaire kritiek Waarheid laat zien. Dat sla ik over. Maar na afloop, tijdens de receptie, als ik wat heen en weer vlinder, komt er een donkerharige dame op mij af die ik blijkbaar in Amsterdam gekend heb toen ze daar ooit studeerde. Zoals gebruikelijk weet ik niet meer hoe ze heet. Ze doet nu iets in Nijmegen, kennelijk in mijn vak. Zij groet me vreugdevol, haalt herinneringen op, en op gegeven moment vraagt ze, jawel: ‘Mis je het onderwijs?’ En begint prompt te vertellen dat ik een jaar of zo geleden een of ander demonstratiecollege heb gegeven voor VWO (of iets dergelijks. Wanneer de lente begint moet je tegenwoordig eindeloos opdraven om in verband met de universitaire sightseeing door scholieren allerlei inleidingen en proefcolleges te geven). Het ging blijkbaar over de Opkomst en val van een Koffiehuisnichtje. Dan schrik ik. Want, zegt ze:
‘Weet je - toen heeft Nicole besloten dat ze in Nijmegen ging studeren. Ze is gekomen ook.’
Op mijn wat verbijsterde reactie trekt ze me mee, en wijst op een meisje dat er - uiteraard - schrander uitziet. Ze heeft een eenvoudige trui en rok aan en zit redelijk in de verf.
Ik ga geen gesprek aan want ik voel me enerzijds vereerd, maar anderzijds opgelaten: ik voel me een beetje een bedrieger. Blijkbaar heb ik iemand naar deze bourgondische contreien laten komen voor... ja, voor wat?
Dit is wel een moment waarop je ineens denkt: het is inderdaad echt leuk, af en toe, aan de Nicoles onderwijs te geven. Ik mis dat wel een beetje. Iedereen het behang in jagen, en voelen dat er met je meegedacht wordt.
Dus? Toch maar de Bond van Plattelandshuisvrouwen bellen om te vragen of ze behoefte hebben aan andere informatie over de literatuur van de Verlichting dan alleen maar over die Jantje die pruimen zag hangen? Daar willen ze natuurlijk wel mee beginnen - want zo werkt het altijd in Nederland. Maar kan ik ze daarna niet in de gordijnen krijgen met uit te leggen dat het scharlaken rokje van het Koffiehuisnichtje, dat die aantrekt wanneer ze vanaf het platteland naar de grote stad trekt, erop duidt dat zij het karakter heeft van de hoer van Babylon uit de Apocalyps; en dat de auteur Weyerman dat thema gebruikt om aan te geven dat de vrouw de grote bedreigster is van de verlichte urbane beschaving?
Daarna kan ik altijd aan de hand van weer andere teksten uitleggen dat de emancipatie van de vrouw in de achttiende eeuw begon; en dat, om dat goed te begrijpen, je een heel andere visie nodig hebt dan die van Aaike Eier, bijzonder hoogleraar emancipatiekunde aan de faculteit van de universiteit van Ubach over Worms.
Maar ik ga dat toch maar niet doen.
woensdag 27 februari 2008
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten