woensdag 27 februari 2008

Jacob Campo Weyerman

dinsdag 13 februari 2007

Jacob Campo Weyerman (1677-1747), een van onze beste schrijvers ooit, kwam mij vandaag weer in gedachten omdat in het digitale blad Neder-L van vandaag (nr. 0702.a) melding gemaakt wordt van een recent boek door Frans Wetzels over Weyerman als tuchtheer van de Abderieten (=Bredanaars; zijnde volgens JCW in zijn tijd even stompzinnig als de inwoners van Abdera, het Boerenkoolstronkeradeel van de Oudheid).

Weyerman moet je één keer per half jaar lezen. Niet echt veel vaker, want na een dagdeel Weyerman krijg je een gevoel of je drie flessen port achter elkaar leeggedronken hebt.

Als proefje hieronder tien uitspraken, willekeurig uit zijn oeuvre gehaald. U hoeft niet bang te zijn voor een teveel aan echte wijsheid.

‘De Wyn maatigt de natuurlyke Koude der Herssenen, en daarom zuypt een Dichter tot aan de Binnedeur van een Hospitaal.’ Ontleeder der Gebreken II, 330

‘Een Man die de Navigatie van buiten leert, eer dat hij Scheep gaat, en een Jongman die het Huuwelyk van binnen bestudeert, eer dat hy zig in Hymens Schakels inlaat, beschouw ik als een Paar Zinnebeelden van de Voorzichtigheyt.’ Ontleeder II, 313.

‘De reeden [is] die algemeene Matres, dewelke Platonice van elk gecaresseert, dog van weinige genooten word.’ Amsterdamse Hermes, 10.

‘Een goed Boek in de Hand eens Plomperds, en een schoone Nymf tusschen de Pooten eens Bokvoets, ondergaan eene het zelve Lot, beyder Toeleg is het om het Voorwerp te schenden.’ Moses Marcus, inl.

‘De Droefheyd is egaal met het Schouburg, nog de eerste nog het laatste zal Speelen, wanneer de Toezienders ontbreeken.’ Ontleeder II, 130.

‘Dat een Geneesheer, een Kwakzalver, en een Artzenybereider, drie verdienstige Broodwinningen zyn, valt maklyk te zeggen, en moeilyk te bewyzen. Het is altoos zeker en gewis, dat niettegenstaande de ongestelde Humeuren der Kranken, den Geneesheer echter de Eer heeft den Patient te dooden; derhalve past het een Man, wanneer hy gevraagt wort, waar door zo of zulk een stierf? niet te antwoorden door een Koorts, of door het Zydewee, maar alleenlyk, dat hy stierf door zyn Doctoor.’ Ontleeder II, 253.

‘Wanneer men Olie in ’t Vuur gooit, en als men een Poeët Wyn schenkt, doet men eene en dezelfde zaak.’ Ontleeder II, 100.

‘De Redenkonst van een Roomschen Priester is niet anders als een kragtelooze Orkaan, opgestooken uit de zee van een wywaters bak.’ Amsterdamse Hermes I, 19.

‘Drie zaaken veroorzaaken ’s mans bederf. Een machtig gierigaart tot zijn gebuur; een valsche vriend tot zyn Confident; en een Wyf die haar huuwelyks-burgt ontloopt.’ Amsterdamse Hermes II, 47.

‘Michel de Montaigne is een franschman, die in zig zelfs te pryzen onvermoeit is.’ Amsterdamse Hermes II, 10.

Geen opmerkingen: