woensdag 27 februari 2008

Spotcatalogus Burman (1709) 8 en slot

maandag 19 maart 2007

Er is nieuws over het aantal exemplaren van de spotcatalogus. Ik had zelf een exemplaar van de UBA gebruikt als legger (één van de onderstaande). Het exemplaar-Yale is al genoemd.

K. van Ommeren attendeerde mij op het bestaan van een exemplaar in de Bibliotheca Thysiana te Leiden; dat is mogelijk het ex. in onderstaand lijstje genoemd. Henk de Kooker, vervaardiger van de niet genoeg te prijzen databank ‘Book Sales Catalogues’ (zoekt u maar eens. Heel nuttig!) schreef onder meer:

‘De catalogus is minder zeldzaam dan je denkt; de databank Book Sales Catalogues bevat de volgende exemplaren:
Amsterdam, BVBBB
Amsterdam, UBA O 59-86
Amsterdam, UBA O 59-87
Cambridge (MA), HU Houghton *NC7 B9276 B712p
Gdansk, BG Uph Fa 297
Göttingen, NSUB 8° H L BI VIII, 1945:10
Den Haag, KB 28 K 26:5
Den Haag, KB pflt 15831
Kopenhagen, KB 78:2, 147 (Ingebonden aan het einde van een convoluut met teksten over het 'schandaal' Burman, enz.)
Leiden, GA Bibliotheek 75511 p
Londen, BL 1485. tt. 73
Parijs, BN relié à la suite de 4° F 32041(4)3
Utrecht, UB B qu. 187:3

Jan van der Waals: 'Een houten neus voor de professor', in: De Gids 153 (1990), p. 1042-1045, komt onder meer tot de constatering dat de werkelijk verschenen 'galante titels' in de catalogus Burman bijna allemaal afkomstig zijn uit het fonds van de Amsterdamse boekverkoper Timotheus te Hoorn. Van der Waals artikel bevat meer van dit soort nuttige observaties.’

We hebben er dus een aantal buitenlanders bij, maar óók een aantal Nederlandse exemplaren; vreemd genoeg niet zichtbaar in de NCC (of wie weet, straks wel). De ervaring leert dat Utrecht bezig is zich in de NCC te ontladen; de KB Den Haag daarentegen is immer een probleem voor de onderzoeker omdat de eigen, apart te raadplegen catalogus wonderbaarlijkerwijs soms veel meer aanbiedt, dan de STCN / NCC-instrumenten die toch in of bij de KB-locatie gehuisvest zijn. Ooit spoorde dit wel. Ik heb nooit een goede oplossing voor dit raadsel gehoord. Wanneer men hiervan melding maakt in de KB, acht men dit geloof ik een non-probleem... als ik tenminste een goede beoordelaar ben van bepaalde gelaatsuitdrukkingen.

Over de uitgever Timotheus ten Hoorn is trouwens ook een artikel verschenen in de MedJCW.


(vervolg)

119. ’t Model van een Aard-bes, die hy, dronken zijnde, zeyde, voor een Boer, met een rooden Borstrok, aangezien te hebben.
120. Een aanstukkende Kruik, die zeer fraay is geweest: met deze woorden,
Heer Piet, die zwets, die roemd op Vrienden en zijn krachten,
Dat hem niet deren kan; let, zoo hy zijn gedachten,
Of oog na my niet wend, dat hy ’t beschreyen zal:
’t Spreekwoord is immers waar, hoogmoed komt voor den val.
121. Een Pluim, gemaakt van loutere en onvervalste Koekoeksveren, de welke hem, tot een recognitie is geschonken, om dat hy eenige familiaire en amoureuze Conclusien, omtrent zijn gagien, oogluykende heeft toegelaten.
122. Een aardig rood Kommetje, waar hy in bloeyden, doen hy met een van zijn Collegaas in een Drooge-levertrooster of Drinkwinkel, om de eer van de Natie op te houden, gevochten had.
123. Een vlees-couleure houte Neus, in een witte Doos: met een Briefjen waar deze woorden op staan,
In hagel, sneeuw en wind wierd ik wel eer gedragen,
Nu leg ik in de muit, en heb weêr beter dagen,
Veellicht denkt yder een, waarom of dit geschied!
Weet dat ik ben gekocht in voorraad voor Heer Piet.
Een ander,
Mijn weêrga word gedragen
In hitte, regen, wind,
Ik heb ’t noch beter, Vrind,
Waarom wilt gy my vragen?
Om dat ik word gespaard,
En voor ’t verlies bewaard,
Dat Piet wagt alle dagen
124. Een houte Blok, met een yzere Ketting daar aan, hebbende langen tijd inde Familie gezworven; maar wel ’t meeste by hem, door dien ’t in zijn jeugt voor zijn vade mecum gebruikt, en nu onlangs voor gekke Fransjen geëmployeert is, die, de Ketting behendig los gemaakt hebbende, zich ilico op een hondsdrafjen onder de Israelitische en dappere Ridderlyke Odre, van alle dagen 28 stuyvers ’s weeks, tot een loffelijk exempel van andere, heeft begeven.
125. Eenige looye Doosjens met ruykende Balzems, om de bedekte Leden, in de Hondsdagen, daar mede te smeren.
126. Het chermant Portretjen van Eva Klonterbuiks buytenbeenze Zoon: met deze klagende woorden,
Is ’t immers niet bedroefd, dat ’k nooit te recht mach weten,
Wie myne Ouders zijn, of na wie ik ben geheten?
Doch onlangs zey ’er een, ik schrik voor het verhaal!
Nochtans was dit vervolg de goede Man zijn Taal:
Gy staat hier menigwerf, mocht gy u Vader kennen,
Mijn Kind, gy zoud’ veel licht hem na verdiensten schennen;
Als meê u looze Moer, die slechts u heeft geteeld,
Door dien men u byna van alles heeft misdeeld:
Deez’ stem ontruste my, ja sloeg my in de beenen,
Noch vroeg ik... maar helaas! de Man ging schielyk heenen.
127. Een Koffer met alderhande oude Kleederen en Prullen, die hy, aan zeker Koperslager, had vereert, doch door order van de Schuldenaars en Executeurs weder uit het huis gehaalt; met dit Versjen daar op:
Deez’ Koffer was vereerd,
Gevuld met oude Kleeren,
Aan een, die Piet te Peerd
Gezet heeft om zijn veeren.

EYNDE.

Geen opmerkingen: