Sommige dingen behoeven geen uitleg: zevenboom wordt genoemd omdat het een vruchtafdrijvend middel is (II, nr. 30).
Maar waarom geeft een hoer aan Pieter een bloemkransje met een groen lint (II, nr. 7)? Is zoiets bedoeld als een soort valentijn, met een impliciete uitnodiging? En wat wordt bedoeld met die Kittel-ringetjes (II, nr. 12).
Af en toe weten wij van de gewoonste dingen niets.
Wat geen uitleg behoeft is het feit dat Weyerman zich bij zijn proces erop beriep dat velen vóór hem veel satirischer en persoonlijker geschreven hadden dan hijzelf. Onder hen: Burman.
(Vervolg)
108. Eenig Ambregris, om de Liefhebbers boven maten vigoureus te maken, dat ze naderhant gaan, of ze heen en weer eens gerabraakt waren.
109. Een Kleefsche Zadel van een luitsprekent Rechtsgeleerde, de welke voorgeeft, dat hy een onvergelykelyk divien verstant, en aanstallige externaas, ten tyden als hy Ruyter was, voor hem en zijn Hokkelingen uit des zelfs knop gehaalt heeft, het geen de stukken van zijn Jongens reets handtastelijk aanwyzen, want al wat zy doen, en voor ’t licht brengen, is zoo langdradig en confuus, dat ’er pas hooft of staart aan te vinden is:
Nota: Uit dezelfde knop heeft hy ook geleert, (door ’t ontkennen) zich van den Borgtocht van eenige weynige Ducatons te ontdoen, schoon hy in presentie van eerlyke Luyden, op verscheyde plaatzen en tyden, onder handtasting daar voor goet gesproken heeft, uit redenen, dat men geen aantekening van ’t gepasseerde houde, en ’t zelve liässeren zouden.
110. Een Broek van zeker Secretair Heer, noch in levenden lyve, ten tyden doe hy Soldaat was, door de Luyzen aan stukken gebeten, en tot een gedachtenis bewaart, door dien ’er den vermaarden Brandwijnverkooper Benjamin, dit Versjen op gemaakt heeft:
’t Heugd me, dat ik deze Broek,
Vol van Luyzen en Piooten,
Van des Jonkers gat ontblooten,
Schoon hy had pas hembd of doek
Om zyn Poppegoed te dekken,
Daarom ik hem weêr voorzag
Van een Broek en Linnevlag,
’t Geen hy aanstonds aan moest trekken;
Toen smeet ik die Broek daar neer,
Die, die onbeschofte Dieren
Haastig meenden in te slieren,
Van mijn luyzige Confreer,
Maar ik riep, gy zijt geen DRAKEN,
Daar sta ik u BORG voor,
Scheerje fluks de gaatjens door,
Of ’k smoorje tusschen ’t voer en ’t laken.
Aanstonds trok’er een in ’t ruim,
Die scheen gantsch en gaar verbolgen,
Doch de rest die moest hem volgen.
’t Is geen logen by me duim.
111. Een cristalyne Bril, waar zeker Bontwerker hem, ten tyden van de bekende Kermis Conjunctie, door begluurt heeft.Vol van Luyzen en Piooten,
Van des Jonkers gat ontblooten,
Schoon hy had pas hembd of doek
Om zyn Poppegoed te dekken,
Daarom ik hem weêr voorzag
Van een Broek en Linnevlag,
’t Geen hy aanstonds aan moest trekken;
Toen smeet ik die Broek daar neer,
Die, die onbeschofte Dieren
Haastig meenden in te slieren,
Van mijn luyzige Confreer,
Maar ik riep, gy zijt geen DRAKEN,
Daar sta ik u BORG voor,
Scheerje fluks de gaatjens door,
Of ’k smoorje tusschen ’t voer en ’t laken.
Aanstonds trok’er een in ’t ruim,
Die scheen gantsch en gaar verbolgen,
Doch de rest die moest hem volgen.
’t Is geen logen by me duim.
112. ’t Afbeeltzel van een Amsterdamsche Snaak, die geprofeteert heeft, dat Piet in zyn oude dagen noch Spek zal moeten verkoopen.
113. Den Degen, alias Slakkesteker en Commando-staf, van den valshertigen, wijsneuzige, hoerige, wispelturige, quaatsprekende, bedriegchelyke, leugenachtige, twistverdryvende, laatdunkende, wraakzugtige, luidschreeuwende, baatzoekende en belagchelyke Jan Larie, lange jaren voor Lieutenant gevaren, en eindelyk tot de weerdigheit van Schryver, door een subtile greep, tot verwondering en vreugden van vele opgeklommen.
114. Een lugtig zomer Kleetje voor de Nimphjens, waar men haar betooverende Leden door heen kan zien, zeer goet in de Hontsdagen.
115. Een stuk van de kopere knip-sloten, van ’t derde deel der Scharreboute Boeken.
116. Een kostelyke Verrekyker, door een groot Meester uitgevonden, waar hy, voor zijn Tuin staande, infallibel door kon zien, als ’er een Vrouw of Meisjen, over de Ophaalbrug, buyten ’t Maliepoortjen ging, of ze eerlijk of oneerlijk was, nemende doorgaans zijn mesures daar na.
117. ’t Vel van een valschen Rechter, door een Vroom Man, om de verkooping aanzienelyker te maken, daar gebracht.
118. ’t Portret van zeker Heer, die op de Spaansche Reis zijn Neus verloren heeft: met dit Versjen daar onder,
Dit hagjen ben ik kwijt,
’t Geen my dikmaals spijt,
En nochtans moest ik kwelen,
Als ik Heer Piet aanschouw,
Die onlangs weêr een houw,
Kreeg dichte by die deelen,
Zoo dat hy in het kort,
Als het niet beter word,
Zal zeggen, Heer Confraters,
Ik ben meê in u gild,
Mijn geltjen is verspild
En ’t Neusjen uit mijn snater.
’t Geen my dikmaals spijt,
En nochtans moest ik kwelen,
Als ik Heer Piet aanschouw,
Die onlangs weêr een houw,
Kreeg dichte by die deelen,
Zoo dat hy in het kort,
Als het niet beter word,
Zal zeggen, Heer Confraters,
Ik ben meê in u gild,
Mijn geltjen is verspild
En ’t Neusjen uit mijn snater.
(wordt vervolgd)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten