Posts tonen met het label spotcatalogus. Alle posts tonen
Posts tonen met het label spotcatalogus. Alle posts tonen

woensdag 27 februari 2008

Spotcatalogus Burman (1709) 8 en slot

maandag 19 maart 2007

Er is nieuws over het aantal exemplaren van de spotcatalogus. Ik had zelf een exemplaar van de UBA gebruikt als legger (één van de onderstaande). Het exemplaar-Yale is al genoemd.

K. van Ommeren attendeerde mij op het bestaan van een exemplaar in de Bibliotheca Thysiana te Leiden; dat is mogelijk het ex. in onderstaand lijstje genoemd. Henk de Kooker, vervaardiger van de niet genoeg te prijzen databank ‘Book Sales Catalogues’ (zoekt u maar eens. Heel nuttig!) schreef onder meer:

‘De catalogus is minder zeldzaam dan je denkt; de databank Book Sales Catalogues bevat de volgende exemplaren:
Amsterdam, BVBBB
Amsterdam, UBA O 59-86
Amsterdam, UBA O 59-87
Cambridge (MA), HU Houghton *NC7 B9276 B712p
Gdansk, BG Uph Fa 297
Göttingen, NSUB 8° H L BI VIII, 1945:10
Den Haag, KB 28 K 26:5
Den Haag, KB pflt 15831
Kopenhagen, KB 78:2, 147 (Ingebonden aan het einde van een convoluut met teksten over het 'schandaal' Burman, enz.)
Leiden, GA Bibliotheek 75511 p
Londen, BL 1485. tt. 73
Parijs, BN relié à la suite de 4° F 32041(4)3
Utrecht, UB B qu. 187:3

Jan van der Waals: 'Een houten neus voor de professor', in: De Gids 153 (1990), p. 1042-1045, komt onder meer tot de constatering dat de werkelijk verschenen 'galante titels' in de catalogus Burman bijna allemaal afkomstig zijn uit het fonds van de Amsterdamse boekverkoper Timotheus te Hoorn. Van der Waals artikel bevat meer van dit soort nuttige observaties.’

We hebben er dus een aantal buitenlanders bij, maar óók een aantal Nederlandse exemplaren; vreemd genoeg niet zichtbaar in de NCC (of wie weet, straks wel). De ervaring leert dat Utrecht bezig is zich in de NCC te ontladen; de KB Den Haag daarentegen is immer een probleem voor de onderzoeker omdat de eigen, apart te raadplegen catalogus wonderbaarlijkerwijs soms veel meer aanbiedt, dan de STCN / NCC-instrumenten die toch in of bij de KB-locatie gehuisvest zijn. Ooit spoorde dit wel. Ik heb nooit een goede oplossing voor dit raadsel gehoord. Wanneer men hiervan melding maakt in de KB, acht men dit geloof ik een non-probleem... als ik tenminste een goede beoordelaar ben van bepaalde gelaatsuitdrukkingen.

Over de uitgever Timotheus ten Hoorn is trouwens ook een artikel verschenen in de MedJCW.


(vervolg)

119. ’t Model van een Aard-bes, die hy, dronken zijnde, zeyde, voor een Boer, met een rooden Borstrok, aangezien te hebben.
120. Een aanstukkende Kruik, die zeer fraay is geweest: met deze woorden,
Heer Piet, die zwets, die roemd op Vrienden en zijn krachten,
Dat hem niet deren kan; let, zoo hy zijn gedachten,
Of oog na my niet wend, dat hy ’t beschreyen zal:
’t Spreekwoord is immers waar, hoogmoed komt voor den val.
121. Een Pluim, gemaakt van loutere en onvervalste Koekoeksveren, de welke hem, tot een recognitie is geschonken, om dat hy eenige familiaire en amoureuze Conclusien, omtrent zijn gagien, oogluykende heeft toegelaten.
122. Een aardig rood Kommetje, waar hy in bloeyden, doen hy met een van zijn Collegaas in een Drooge-levertrooster of Drinkwinkel, om de eer van de Natie op te houden, gevochten had.
123. Een vlees-couleure houte Neus, in een witte Doos: met een Briefjen waar deze woorden op staan,
In hagel, sneeuw en wind wierd ik wel eer gedragen,
Nu leg ik in de muit, en heb weêr beter dagen,
Veellicht denkt yder een, waarom of dit geschied!
Weet dat ik ben gekocht in voorraad voor Heer Piet.
Een ander,
Mijn weêrga word gedragen
In hitte, regen, wind,
Ik heb ’t noch beter, Vrind,
Waarom wilt gy my vragen?
Om dat ik word gespaard,
En voor ’t verlies bewaard,
Dat Piet wagt alle dagen
124. Een houte Blok, met een yzere Ketting daar aan, hebbende langen tijd inde Familie gezworven; maar wel ’t meeste by hem, door dien ’t in zijn jeugt voor zijn vade mecum gebruikt, en nu onlangs voor gekke Fransjen geëmployeert is, die, de Ketting behendig los gemaakt hebbende, zich ilico op een hondsdrafjen onder de Israelitische en dappere Ridderlyke Odre, van alle dagen 28 stuyvers ’s weeks, tot een loffelijk exempel van andere, heeft begeven.
125. Eenige looye Doosjens met ruykende Balzems, om de bedekte Leden, in de Hondsdagen, daar mede te smeren.
126. Het chermant Portretjen van Eva Klonterbuiks buytenbeenze Zoon: met deze klagende woorden,
Is ’t immers niet bedroefd, dat ’k nooit te recht mach weten,
Wie myne Ouders zijn, of na wie ik ben geheten?
Doch onlangs zey ’er een, ik schrik voor het verhaal!
Nochtans was dit vervolg de goede Man zijn Taal:
Gy staat hier menigwerf, mocht gy u Vader kennen,
Mijn Kind, gy zoud’ veel licht hem na verdiensten schennen;
Als meê u looze Moer, die slechts u heeft geteeld,
Door dien men u byna van alles heeft misdeeld:
Deez’ stem ontruste my, ja sloeg my in de beenen,
Noch vroeg ik... maar helaas! de Man ging schielyk heenen.
127. Een Koffer met alderhande oude Kleederen en Prullen, die hy, aan zeker Koperslager, had vereert, doch door order van de Schuldenaars en Executeurs weder uit het huis gehaalt; met dit Versjen daar op:
Deez’ Koffer was vereerd,
Gevuld met oude Kleeren,
Aan een, die Piet te Peerd
Gezet heeft om zijn veeren.

EYNDE.

Spotcatalogus Burman (1709) 7

zondag 18 maart 2007

Sommige dingen behoeven geen uitleg: zevenboom wordt genoemd omdat het een vruchtafdrijvend middel is (II, nr. 30).

Maar waarom geeft een hoer aan Pieter een bloemkransje met een groen lint (II, nr. 7)? Is zoiets bedoeld als een soort valentijn, met een impliciete uitnodiging? En wat wordt bedoeld met die Kittel-ringetjes (II, nr. 12).

Af en toe weten wij van de gewoonste dingen niets.

Wat geen uitleg behoeft is het feit dat Weyerman zich bij zijn proces erop beriep dat velen vóór hem veel satirischer en persoonlijker geschreven hadden dan hijzelf. Onder hen: Burman.


(Vervolg)

108. Eenig Ambregris, om de Liefhebbers boven maten vigoureus te maken, dat ze naderhant gaan, of ze heen en weer eens gerabraakt waren.
109. Een Kleefsche Zadel van een luitsprekent Rechtsgeleerde, de welke voorgeeft, dat hy een onvergelykelyk divien verstant, en aanstallige externaas, ten tyden als hy Ruyter was, voor hem en zijn Hokkelingen uit des zelfs knop gehaalt heeft, het geen de stukken van zijn Jongens reets handtastelijk aanwyzen, want al wat zy doen, en voor ’t licht brengen, is zoo langdradig en confuus, dat ’er pas hooft of staart aan te vinden is:
Nota: Uit dezelfde knop heeft hy ook geleert, (door ’t ontkennen) zich van den Borgtocht van eenige weynige Ducatons te ontdoen, schoon hy in presentie van eerlyke Luyden, op verscheyde plaatzen en tyden, onder handtasting daar voor goet gesproken heeft, uit redenen, dat men geen aantekening van ’t gepasseerde houde, en ’t zelve liässeren zouden.
110. Een Broek van zeker Secretair Heer, noch in levenden lyve, ten tyden doe hy Soldaat was, door de Luyzen aan stukken gebeten, en tot een gedachtenis bewaart, door dien ’er den vermaarden Brandwijnverkooper Benjamin, dit Versjen op gemaakt heeft:
’t Heugd me, dat ik deze Broek,
Vol van Luyzen en Piooten,
Van des Jonkers gat ontblooten,
Schoon hy had pas hembd of doek
Om zyn Poppegoed te dekken,
Daarom ik hem weêr voorzag
Van een Broek en Linnevlag,
’t Geen hy aanstonds aan moest trekken;
Toen smeet ik die Broek daar neer,
Die, die onbeschofte Dieren
Haastig meenden in te slieren,
Van mijn luyzige Confreer,
Maar ik riep, gy zijt geen DRAKEN,
Daar sta ik u BORG voor,
Scheerje fluks de gaatjens door,
Of ’k smoorje tusschen ’t voer en ’t laken.
Aanstonds trok’er een in ’t ruim,
Die scheen gantsch en gaar verbolgen,
Doch de rest die moest hem volgen.
’t Is geen logen by me duim.
111. Een cristalyne Bril, waar zeker Bontwerker hem, ten tyden van de bekende Kermis Conjunctie, door begluurt heeft.
112. ’t Afbeeltzel van een Amsterdamsche Snaak, die geprofeteert heeft, dat Piet in zyn oude dagen noch Spek zal moeten verkoopen.
113. Den Degen, alias Slakkesteker en Commando-staf, van den valshertigen, wijsneuzige, hoerige, wispelturige, quaatsprekende, bedriegchelyke, leugenachtige, twistverdryvende, laatdunkende, wraakzugtige, luidschreeuwende, baatzoekende en belagchelyke Jan Larie, lange jaren voor Lieutenant gevaren, en eindelyk tot de weerdigheit van Schryver, door een subtile greep, tot verwondering en vreugden van vele opgeklommen.
114. Een lugtig zomer Kleetje voor de Nimphjens, waar men haar betooverende Leden door heen kan zien, zeer goet in de Hontsdagen.
115. Een stuk van de kopere knip-sloten, van ’t derde deel der Scharreboute Boeken.
116. Een kostelyke Verrekyker, door een groot Meester uitgevonden, waar hy, voor zijn Tuin staande, infallibel door kon zien, als ’er een Vrouw of Meisjen, over de Ophaalbrug, buyten ’t Maliepoortjen ging, of ze eerlijk of oneerlijk was, nemende doorgaans zijn mesures daar na.
117. ’t Vel van een valschen Rechter, door een Vroom Man, om de verkooping aanzienelyker te maken, daar gebracht.
118. ’t Portret van zeker Heer, die op de Spaansche Reis zijn Neus verloren heeft: met dit Versjen daar onder,
Dit hagjen ben ik kwijt,
’t Geen my dikmaals spijt,
En nochtans moest ik kwelen,
Als ik Heer Piet aanschouw,
Die onlangs weêr een houw,
Kreeg dichte by die deelen,
Zoo dat hy in het kort,
Als het niet beter word,
Zal zeggen, Heer Confraters,
Ik ben meê in u gild,
Mijn geltjen is verspild
En ’t Neusjen uit mijn snater.

(wordt vervolgd)

Spotcatalogus Burman (1709) 5

donderdag 15 maart 2007

Diegene die geneigd is van alles uit deze catalogus op werkelijkheidswaarde of symbolische waarde te onderzoeken, raad ik aan eerst de processtukken, althans de aanklacht (zie de eerste aflevering van deze reeks), te lezen. Daar vindt men allerlei details die een groot aantal hier opgenomen nummers verhelderen.

Zo kon men in de voorgaande aflevering vermeld zien:

145. ’t Ontzielde Rijstenbrijsmutsjen aan de Kapstok, Dinaas gelegentheit van hairtjen tot hairtjen ontledende

Voordat die onderzoeker met rode oortjes overgaat tot freudiaanse analyses, is het zinvol te weten dat volgens Dina, toen Petrus aanstalten maakte tot het seksuele spel, deze eerst zijn pruik af-, en vervolgens een witgestikt mutsje opzette. Dat laatste mutsje wordt in de literatuur van de tijdgenoten die zich met deze affaire bemoeien steeds een rijstebrijmutsje genoemd.

Het kan goed zijn dat ze dat opzettelijk doen, omdat ...

Het kan ook zijn dat zo’n mutsje altijd een rijstebrijmutsje heette.

Hetgeen weer nieuwe vragen oproept: beschouwde men het als onzedelijk sex te hebben zonder muts of hoofdbedekking? Was dat zoiets als de eigenaardige gewoonte van dames, tot ver in de twintigste eeuw, bij elkaar op bezoek te gaan en thee te drinken (binnenshuis), zonder hun hoofddeksel af te zetten?

Herkauwer hoopt hiermee prof. dr. Aafke Eier enig hoofdbreken te bezorgen. Mogelijk heeft die het echter veel te druk met een, belangrijker, metaprobleem: de constructie van het beeld van de vrouw in de literatuur van Jakoetië en Vuurland.


(Vervolg)

38. ’t Model van een Vlooy, aan een goud Kettingje, op zeker Kermis Woensdag, ten huyze van kopere Marie, door Dina gevangen.
39. De kleinste helft van Dinaas Rijgveter.
40. Een geboent eyke Kisjen met verscheyde Galanteryen.
41. De Maagdommen van blanke Barbar, Pieternel Paaschen, zwarte Anne, Aal Slingerh... en Door de Hoer, leggende tusschen zyde Watten, in een schiltpadde Doosjen.
42. Een dubbelde Waayer, beschildert met eeenige naakte Beeltjens in verfoeyelyke Actien.
43. Een koper vergult Ringetjen, eertijds van Cleopatra gedragen, onlangs in zeker Vlees-battaille van ymant ontfutzelt.
44. Een Tabaks-doos, voor zeker Romein geëtst, verbeeldende de schrikkelyke nieusgierigheit van Nero.
45. Een rare Italiaansche Tabaks-pijp met Leden.
46. Noch een Tabaks-pijp, waar hij op zijn Nest leggende, verscheyde maalen uit heeft gerookt.
47. Noch een Bootsgezelletjen, om by ’t Verkeer-bort daar uit te rooken.
48. Een drollig Tintel-tonnetje met goed gebrande Tintel van Katrijntjens hembdt.
49. Een Vierslag, nagelaten van den achtkantigen Boer.
50. Vijf byzondere Vier-steenen, uit den Boedel van Abbe de Guit gekomen.
51. Een Noteboom Verkeerbort, met alle zoorten van Dobbelsteeenen.
52. Twee Busjens of Voorntjens van zijn eyge reedzel.
53. Twee kopere Blakertjes, door kopere Willem gemaakt.
54. Een Tabaks Comfoortjen, door den zelven.
55. Een entje Kaars, onlangs overgeschoten, toen ’er een borrel in de Wacht kwam.
56. Eenige Spullen geschilderde Kaarten, veroonende alderhande ergerlyke Geschiedenissen.
57. Een Uylebort, zijnde het tijd-verdrijf van Fransjen en zijn Broer.
58. Als mede een Houte-paart, daar zy haar Lant-goederen zomtijts mee hebben omgereden.
59. Een bondel Touw, waar eenige knechts, in plaats van Paarden, aan getrokken hebben, toen ze zeker Zilversmit, vol zijnde, met een Koets t’huis brachten.
60. Een kopere verzilverde Bodem van een zilvere Beker, door dito Zilversmit heymelijk uit de Gilde-kist genomen, en aan hem vereert.
61. Als mede een blaauwe Voorschoot, die eenige Vrouwluyden hem, (op een schandelyke wyze op zeker Stoep, met de Onderdeur open, dronken vindende zitten) hadden voorgebonden.
62. Den Scepter van Nero, zeer bequaam om Trommelstokken voor de winderige Sergeant van te maken.
63. Een half douzijn Italiaansche Trekworteltjens, heel dienstig voor ouwe Hoeren.
64. Een Quispedoortjen, door een vermaart Pokmeester aan hem in zijn ziekte vereert.
65. Een curieuse gedraayde Doos vol gewyde Asch, van eeenig verbrant hout, waar zijn Conscientie door is afgeschroeit.
66. Een klein Molentje met drie wieken, waayende met veel winden, waar hy hem dikmaals by vergeleken heeft.
67. Een modieuse Blaasbalk, gebruikt wordende, om ’t vuur van tweedragt in den brant te houden.
68. Een groote Berkemaayer, waar hy veeltijds den ondergang van eenige eerlyke en goede Ingezetenen mede gedronken heeft.
69. Drie gebalzemde Addertongen, in een lang, met fluweel bekleet, doosjen, waar op geschreven staat: ‘deze halen geenzints by my’.
70. Een Bouteille met water, door veel moeyten en yver uit de Bron der vergetelheit vergadert.
71. Een uitnemende schoone Boog, met een koker vol fenynige Pylen, waar hy verscheyde welmeenende Menschen mede gequetst heeft.
72. Een koppel Pistolen, met geheyme Vuursloten, by niemant als by hem bekent.
73. Een kromme Verraders Pook.
74. Een vergiftige Lans, met dit devijs: ‘Ik verfoey de Oprechten’.
75. Een Schilderijtjen, waar hy zelfs in uitgeschildert staat, met zij linker Voet op de gront, en met zijn rechter op de Onnoozelheit, hebbende in zijn linker Hant een Slang, en in zijn rechter een vloeyende Pen, verbeeldende zijn verbittering tegen de goede zaak: met deze inscriptie,
Ik zal, zoo lang ik leef,
’t Geheyligd goed vertreden,
’k Vrees geen Opperhoofd, ’k geef
Om Wetten noch om reden.
76. Een Mantel van Lamsvelletjens, met Wolvehuyden gevoedert, t’zedert den 19. Maart 1702. niet meer gedragen.
77. ’t Model van de Conscientie van zeker Zilversmit, die door de hitte van de Smit is toegeschroeit.
78. Eenige Momaangezigten, om zich onbekent te maken.
79. Een lege Goutbeurs, met een Briefjen daar in, behelzende deze woorden,
Ben ik niet een grooten Beest?
Het Goud, hier uit genomen,
Is voor Hoer en Snoer geweest,
Doch ’t kan ’er weêr in komen,
Als ik dat Volk verlaat;
Maar yder zegt, helacie!
Teekens van ’t vervloekte quaat
Staan in dien Bul zijn facie.
80. Een paar Schoenen, met zolen van hoede vilten, om ymant te bespringen, zonder gehoord te worden.
81. Een bosjen gekroest Hair, in een vergult Papiertjen, uit de zoo genoemde Baart van van Banken getrokken.
82. Twee stukken van een Exclavasie, verovert toen hy zeker Dame op een oneerlyke wijs aanranden.
83. Een paar houte Stelten, die hy veeltijts gebruikt heeft, om Schimp- en Lasterschriften aan te plakken.
84. Een flesjen met geveinsde rouwtranen, gestort over zeker gastmaal, uit zijn Neusdoek gewrongen.
85. Noch een verzegelt Flesjen, met een zilver schroefjen, met Maagdewater van zijn Huisvrouw, na de geboorten van een onechte Zoon verzamelt.

(wordt vervolgd)

Spotcatalogus Burman (1709) 6

vrijdag 16 maart 2007

Parallel aan Herkauwers vermaning in de vorige aflevering over gegevens in de aanklacht te vinden, raadt hij de onderzoeker die nieuwgierig is naar al dan niet echte titels in deze catalogus, aan, eerst de paskwillen en toneelstukken rond deze zaak uit 1709 te lezen. Dan zal hij merken dat vele van die titels ook in deze catalogus voorkomen. Hij zal er vele van kunnen terugvinden, bijvoorbeeld in de convoluut UBL 1055 A 7. Een aantal daarvan komt natuurlijk niet eens voor in de Leidse catalogus.

Ik noem daaruit: De gewaande weuwenaar, [...] Blyspel waarvan tenminste drie verschillende stukken zijn verschenen (niet twee, zoals Te Winkel zegt), terwijl van het tweede stuk zelfs een vermeerderde druk verschenen is; Zielwekker, of deugdenspoor voor den Heere Petrus Burmannus; over des selfs Misval; Vroomaards ernstige aanspraak tot sijn buurman Ritsaard; Een Verzagtend Zalfje op de smertelijke VVonde van den Heer Pieter Burman; Lof-dicht, Op de Kindermakery van Pieter-buer. Voys: Van de Queezel. In dit laatste item vindt men ook nog andere gedichten; ik heb de indruk dat die ooit als zelfstandige uitgaafjes verschenen te zijn.

Die Zielwekker is misschien tevens een ondeugend grapje: want u weet natuurlijk dat in gewoon achttiende-eeuws taalgebruik ‘je ziel laten gaan’ betekent: een orgasme krijgen. Als er bij zo’n tekst een plaatje voorkomt, zie je meestal een opstijgende vogel.

(U mag u er zelf het hoofd over breken of het inderdaad iets betekent: die vliegende vogel op de titelplaat van de Julia, waar Eduard voor het eerst zijn Julia ziet).


(Vervolg)

86. ’t Portret van zekere Heer, die groot gebracht en rijk gemaakt is, door ’t opwisselen van Kleefze Stuyvers, waar zijn Vaar de Compagnie doorgaans mede betaalde: met deze inscriptie,
Dikmaals is my gezegt, als dat mijn trouwe Vader,
Veel winst genoten heeft, en dat meest al te gader
Door woeker met vals Geld, en der Soldaten bloed,
Zoo doende komt een Kind haast mak’lijk aan veel goed;
’t Is waar, daar is wat aan, maar wisten eens de Luyden
Dat ik het noodig heb, door dien ik nog op huyden
Veel schieten moet voor ’t Kind, ’t zy om de maand of drie,
Het geen ik heb gehad by kopere Marie!
87. Een zilvere Hairnaalt, door zeker Scholwijf in zijn Tuinhuisjen op de Rustbank verloren.
88. ’t Portret van zeker hoogmoedig en valshertig Doctor, die zijn Voorouders in eer en deugt, door Duifjens op Zolder, en een gekapte Raven, de kost op een eenvoudige wijs hebben gewonnen, met dit Versjen,
’t Fortuin heeft mij gediend, de trouw maakt my vermaard,
Ik ben schijnt van dat Volk, die hedendaags de Kaart,
En in de Spellen meest de overwinning krygen.
En [toch] wil ymand niets van mynen opkomst zwygen,
Maar roepen luidkeels uit, nu zit de Man eerst warm!
Doch door verbode winst en ’s Vaders krommen arm.
89. Een gebalsemde Schorpignon. in vorige tyden door hem, in de Buikbosschagie van zeker Kaatsmeesters Dochter, gevangen.
90. Een beschimmelde korst Broot, die zijn Vader uit het Leidsche Collegie mede gebracht, en in de Schatkist bewaart heeft, nu onlangs, als zijnde een heerlijk denkbeelt, tot groote vreugden gevonden.
91. Een Bullekop, met twee uitnemende Hoorns aan de enden vergult, door een van zijn goede bekenden in een witte houte geschuurde bak, ’s morgens voor dat hij zeker digniteit ontfong, aan hem gezonden, hebbende dit volgende Versjen voor t voorhooft staan:
Die slechts heeft de gunst der Goden,
Blijft gelukkig, zoo men ziet,
Al was ’t een eervergete snoode
Boef, tot Allemans verdriet.
92. Een zilver zak Orlogie, ’t geen hy Controlleur van de Zon heeft genoemt, door dien hy zich in zijn Hoere appoinctement daar meer op heeft verlaten, als op de waarheit.
93. ’t Afbeeltzel van zeker Jangattig en inhalend Tollenaar, met deze inscriptie:
Deez’ schijnd in ’t oog een Parel,
Doch is een valsche KAREL,
Ontaard van Moer en Vaar,
En in zijn doen onklaar,
In geen [onleesbaar] ook rechtzinnig,
Maar tegen ’t goed vinnig,
Het geen hy immers toond,
Die zijn Goed doenders hoond.
94. Eenige valsche Knoopdaalders voor de menagie.
95. Noch een goude Ring, met zeve valsche Steenen, waar hy een getrouwde Vrouw door zocht te deboucheren: zeggende, dat die Steenen fijn, en van veel waarden waren.
96. Een geborste en byna half uitgeloope Galblaas, zijnde t’zedert en jaar of twee deerlijk onder ’t Voeten getrap geweest.
97. Een looye Doos met brutaal of assurantie Spijs, met de compositie daar by, luydende als volgt:
Neemt een Ons zap van Oostershout, en drie Loot slechte Smout, dat door een gemengd, en te zamen zoo lang laten koken, tot dat het dik begint te worden, dan sestien droppelen Bloed van Draken, op den Borg van ’t Zuyland Eylant gevangen, daar onder gedaan, en zoo lang geroert, tot dat het kout is, dan driemaal daags daar een brok van ingezwolgen, geen gou zoo goet.
98. ’t Wapen van zeker substituts Rentmeester, met de explicatie daar op:
Voor eerst een groen Velt, met een Ezelin daar op, die twee kopere Melkemmers draagt, werdende door een Jongen voort gedreven, (verbeeldende de Perzoon,) boven den Helm een Wagen met Mest, waar een griep in steekt, met een Paart daar voor, ront en om het Schilt zijn Spaayen, Vlegels, Schoppen, Ploeg en zijn Gereetschap; Suy[p]bak, Zeyssen, en ’t geen verders tot een Bouwerye behoort, waar gevlochte Strooy door heen geslingert is, met twee afgebezigde Stalbezems daar onder aan, in plaats van goude Quasten.
99. Een Zaag aan weerkanten met dubbelde tanden: waar deze woorden op staan:
Ten tyde doe ik was aan een kant gezet,
Wierd ik noch wel gebruikt, en deê niemand belet,
Nu ik te tandig ben, laat yder een my staan,
Zoo vrees ik zal ’t in ’t kort met Petrus ook noch gaan.
100. Een Luywagen, waar zeker Advocaat zijn Meit dikmaals mee afgeborstelt heeft, aan hem tot een Kamerscherm vereert.
101. Twee halve Doppen van een groote Hoet, in welk een gedrilt gaatjen, van zijn Vader nagelaten, met een recommandatie, dat hy die zomtijts voor zijn verhoert en wilt gezicht zoude laten binden, om ’t daar door, was ’t mogelijk, te teugelen, doch nooit gebruikt.
102. Een geslepe flesjen met Cevetpoeder van Vrouwen en Meisjens, die verscheyde malen onder zijn Maauwen zijn geweest, die daar altemets wat van inneemt, die is haar Maagdom zoo wel bewaart, of ze op een doorslag te luchten lag.
103. Eenige Chineesche naakte Postuuren, verbeeldende de Vleeshal na de nieuwste mode.
104. Een opgezet zwart-bont Kalkhoentjen, tot een eeuwige Memorie, ’t geen, levendig zijnde, dikmaals voor zijn plaizier is geweest.
105. Een Weegschaal vant alderhande listige, bedriegchelyke en onkuysche Venus-praktijkjes, mitsgaders van eenige andere quade zaken.
106. Een Lessenaar, Spiegel, Boekekast, daar gekke Fransjen tegen gevochten, en het Mes: daar hy de Meyt mee uit het huis gedreven heeft, doen hy den Galant had gelezen, willende dien doorluchtigen Helt in dapperheyt, en in des zelfs bravoures de loef afsteken.
107. ’t Portret van een hupsch Jongman, die door den dronk, in de Vleeshal een ongelukkige houw over zijn kop gekregen heeft: waar deze woorden om staan,
Neemt vry, wie het zy,
Een spiegel aan my,
Die zeer is verlegen;
Hy spiegeld hem zacht,
Die om my eens lacht,
En gaat beet’re wegen:
Maar Piet lacht al meê,
Ja dat doet me weê,
Om zijn ergerlijk leven,
Neemt hy haast geen walg,
’t Is smout aan de galg,
Voor boter gewreven.

(wordt vervolgd)

Spotcatalogus Burman (1709) 3

maandag 12 maart 2007

Er zitten in deze catalogus elementen die signaleren dat Burman slachtoffer (? nu ja...) werd van partijstrijd. Burman had herhaald ruzie met de Utrechtse, zeer conservatieve en voetiaanse kerkeraad. De rechtzinnige Utrechtse theoloog Melchior Leydecker, naast anderen, kreeg eveneens de wind van voren. Het is daarom opvallend dat in deze catalogus boeken opduiken die van filosofisch en of theologisch radicalisme verdacht waren: Leenhof, Spinoza. Ook wordt fijntjes opgemerkt dat er boeken afkomstig waren uit de bibliotheek van Johan de Witt.

(Vervolg)

81. Een Tractaatjen waar in deerlijk uitgedorsten en gescholden wort, tegen die geene de welke gepleegde onkuisheden voor den dag brengen; als mede tegen den perturbateur Ratione Officii der gemeene rust en konst-oeffeningen, van die genen, die onder den Standaart van Moeder Venus dienen, met Noten, door P.B.
82. De Nachtgezangen van eenige hoerachtige en tijdverspillende Losbollen.
83. Eenige Aanmerkingen, behelzende, dat het een doodelijk vermaak voor een jong Karel is, dagelijks of nachtelijks in de Bontwerkers Winkel of Leertouwerye te moeten arbeyden.
84. ’t Leven van Don Gusman d’Alfarache, uit het Italiaansch in ’t Nederduitsch vertaalt.
85. Remarcable Beschryving, dat ymant, behoudende een goet gewisse, een valschen Eede mach doen, door P.B.
86. Vermakelijk Avantuur tusschen zeker Zilversmit en een Dienstmaagt, voorgevallen in Mennoos Wijnkelder, nevens den stoeyenden en gekleurden Vulcanus in de Hooyberg.
87. De Beeren en Wolvendans, op Noten, met het gemaakte Verschil onder haar gerezen.
88. Een Tractaatjen wegens de Lof der Venusziektens, uit het Latijn in Duitsch overgezet.
89. Oprechte Beschryving van de Appelflaauwten of Pietercelival van zeker Dame, hoorende dat haar Gemaal een jonge Dochter bestruift had.
90. ’t Leven en Bedrijf van Stoffel Jansz, die van honger zoude hebben moeten sterven, zoo hy geen Duifjens op zolder had gehouden, om zijn familie met eeren voor te staan.
91. Korte en eenvoudige Aanmerkingen over de Maximen en Mantel van Tartuffen.
92. De Logenzak, uitgestort in ’t Petriaansche herzenvat.
93. De Rekening van den onrechtvaardigen Rentmeester; nevens des zelfs Balans, tot een gedachtenis zyner Broederen in ’t licht gekomen.
94. Beverland de Peccato Originali.
95. Een Lijst van de meeste Scharrebouten, t’zedert ’t jaar 1680. door P.B. aangeteekent.
96. Verscheyde Extracten uit de Huywelijksche Voorwaardens van zijn geweze Dienstmaagden, die hy zoo nu en dan uitgetrouwt heeft, waar van’er zommige, onder anderen, duydelijk melden, dat hy op pretensie, den vryen ingang zal mogen behouden.
97. De Geest van Jan Tamboer, 3 deelen.
98. De Beurs der Vrouwen.
99. Den Snoepper Generaal.
100. Du bonheur & du malheur du Mariage.
101. Het getal zonder end of nomenclator, inhoudende een kleyne gedeelte van de Namen der Kinderen met witte voeten.
102. Le Cabinet Satirique.
103. De grontregels van de Politie.
104. Eenige Grieksche Boeken, nooit door hem behandelt, door dien hy die Taal gantsch niet verstaat.
105. De rukelooze Student.
106. Ovidius de Arte Amandi.
107. Den doorslepen Bedrieger in de knel.
108. Remarques over eenige teekenen van plagen.
109. De nieuwmodische Besteedster, met Commentarien, door P.B.
110. Een amoureus Tractaatjen, wegens de behendigheit van ’t Vlooyen vangen, en des zelfs voortteling, nevens de subtile questien, of dito Beesjens met de mont of met haar fondament geluit geven.
111. De Kermis Vreugt, door P.B.
112. ’t Wiegliet van D.v.W. op vijf stemmen.
113. De Proceduuren tusschen D.v.W. en P.B.
114. De Proceduuren tusschen P.B. en D.V.
115. De Proceduuren tusschen D.V. en W.K. mitsgaders M.D.W. zijn huisvrouw; nevens des zelfs Leven en Bedrijf.
116. De Gewaande Weuwenaar, met het bedroge Kermis-Kint, 3 deelen.
117. Apollonii Veridici Catalecta Petrulliana, sive Poëmata Selecta. Lectu Jucundissima.
118. Conspiratio Medico Voetiana Detecta, sive Pietas Burmanniana.
119. Missive aan P.B. wegens zijn ontaarden en eervergeeten handel.
120. Eenige Straat-Liedjens op den zelven.
121. Vroomaards ernstige Aanspraak tot zijn Buurman Ritsaard.
122. Zielwekker of Deugdenspoor voor den Heere P.B. over des zelfs Misval.
123. Verzachtent Zalfje, op de smartelyke Wonde van den Heer P.B.
124. Correction Fraternel, par P.D.L.F.D.W.
125. De Petriaansche Bloetzuyger in Koks kopere pot.
126. Karel de Verrader op de Loerejacht met Mennoos Brakken.
127. Den Franschen Haan, met den Stichtzen Exter, of Huppelaar in de Mat.
128. De verkeerde Ketelboeter, met de Petriaansche Geest, in Dinahs Vleesketel.
129. Uyttrekzel van het Hekelschrift van E. Petronius Arbiter, in de oorspronkelyke Latijnsche Taal, met Aanmerkingen en Kantteekeningen van verscheydene Geleerde Mannen, uitgegeven door P.B.
130. Den volmaakten Billard Speelder, gespekt met ouwe Rijksdaalders.
131. Scurre of Schurk in Folio, zijnde een klare aanwyzing van zijn Baan- en Avondwandelingen, Buiksnydingen en Buikstekingen, enz.
132. Den herlevenden Cromwel.
133. Coquille des Rodemontades.
134. Bekkers Betoverde Weerelt.
135. De bedroge Gaauwigheit, in Klaagliederen verwart.
136. Den wraakzuchtigen Regent, leerende, hoe men de Verschillen, tusschen Voorouders ontstaan, op Kinderen en Kindskinderen moet vergelden.
137. De kluchtige Boscater.
138. Leenhofs Hemel op Aarden.
139. B.D.S. Opera Posthuma, cum Annotationibus Patris Francisci.

(wordt vervolgd)

Spotcatalogus Burman (1709) 2

zaterdag 10 maart 2007

Waarschuwing. Het is verleidelijk te denken dat deze bibliotheek enz. uitsluitend bestaat uit ‘fake’-titels. Dat is niet het geval. Het is juist de kunst geweest echte uitgaven en titels dooreen te mengen.

Zo bestaat, om maar iets te noemen, De wispelturige Turkin of d’onkuysche Hattiga (dl. I, nr. 44) wel degelijk. Dergelijke titels vindt men ook genoemd in verzamelingen als die van Buisman, of behandeld bij Inger Leemans, Het woord is aan de onderkant. Radicale ideeën in Nederlandse pornografische romans 1670-1700 (2002).



(Vervolg)

37. Een Parkementboek vol Karacters, sinistre Streeken en bedriegelyke Stellingen, door den zelven.
38. Lusthof van Venus, beplant met onkuysche naaktheden en minnekluchten.
39. Blonte Maries Annotitie, op wat manier haar Maagdom, door P.B. ontnomen is.
40. Noch eenige Minnebrieven met haar tot Amsterdam gewisselt.
41. Genealogie van zyn Voorouders, vertoonende een zeer canaillieusen afkomst.
42. Eenige Comedien, Pasquillen en rare Gedichten, eertijds op afrekening van een paar Koussen gegeven, en nu onlangs wederom gebracht.
43. Lofreden van een die in Spagnien een gedeelten van zyn Neus verlooren, maar ’t leven, tot groote vreugden er even afgerbracht heeft.
44. De wispelturige Turkin of d’onkuysche Hattiga.
45. De nieuwe Architectuur, haar aanwyzende, hoe ymant zijn geyle en buitensporige lusten op het gemakkelijkste en subtielste kan uitvoeren.
46. Politie en omgang van de Hovelingen van Jan Vlegel, zeer dienstig voor Leergierige Menschen.
47. Een Tractaatjen, verhalende op wat wijs twee Dienstmaagden door ’t drinken van Bornwater, in weynig maanden ongelukkig ’t water gekregen hebben, nevens ’t streng verbod, dat de Bornwaters Schuytjens in, of omtrent die gracht, voortaan niet meer mogen leggen.
48. De laatste woorden van Hanibal, hoogloffelyker memorie, zonder pijn of smart opgehangen, met de deftige en nooit volpreze Lijk-Oratie over den zelven, door P.B.
49. Een Tractaatjen, wijsselijk en omzichtig beschryvende de nuttigheit van met het Mesjes te konnen snyen, nevens een korte en subtile onderwyzing tot die konst, zeer nootzakelijk voor Jantjens, Pluggen en Laberlotten.
50. Verscheyde Zeedijks Voyagien, door P.B.
51. Openhartige Confessie van zeker Dienstmaagt, die door een getrouwt Man bezwangert was, zeggende tot haar verschooning, dat ze een Man van dat fatzoen zijn wil en plaizier niet dorst weygeren; als mede de omstandigheden hoe alles zich verders heeft toegdragen.
52. Een lijst van verscheyde Zotten van den ouden en nieuwen tijd, op Rijm.
53. Opkomst van Johannes Hagelius en des zelfs methode van Huishouding.
54. Beschryving over de Justitie-balans; nevens de aantrekkelijkheit van ’t Ducate-gout.
55. Eenige Lofdichten op Vader Bacchus, zijn zuypende Kinderen en zoet inglyende tranen, door P.B.
56. Wijtloopig Verhaal wegens de tijdpasseringen en conduites van de Abdisjens en aanvallige Bagijntjens van de meest stille Cabanissen, door den zelven.
57. De genote Vermakelijkheden ten huyzen van een oude Cochel omtrent de Grimmenische Sluis, naaukeurig ontledigt, door den zelven.
58. Een Lias met Quitantien van zijn Verteringen in diversche infame Huyzen.
59. Een beschryving over de Tronie van den Huylenden Kindermaker.
60. ’t Nagelag van zes Petriaansche Hoeren, op Noten.
61. Nachtgedachten over het tegenwoordig gedrag van zijn Bedgenoot.
62. De geslepe gedienstigheit en gepretendeerde kuisheit van een Allemansgading.
63. De Boere Bruyloft, met den uitleg van de vrye Hantgreep, ingestelt door P.B.
64. Het Tooneel des Oorlogs tusschen verscheyde Hoeren en Boeven, met naam en toenaam.
65. De Manzieke Juffrouw en haar Praktijkjens.
66. Dertigjarig Journaal, inhoudende ontelbare verwonderenswaardige obscoene Geschiedenissen en gepleegde Schelmstukken.
67. t’Zamenspraak tusschen twee Dienstmaagden en een Naayster, over de miltheit van zeker getrouwde Dame, die jaarlijks de Thienden van haar Huwlijks-plicht aan haar Salet-rekeltjens placht te vereeren.
68. Reflectien over ’t Bed van Parade van de vermoorde eerlijkheit.
69. Een Hoere-jacht-boekjen, door zeven vermaarde Hoerewaarden in ’t licht gegeven, met Kantteekeningen door P.B.
70. Een loffelijke Beschryving tegen de Vaak en sluymerende droomen, door imant, die een Meisjen bevuilt had en door zijn schulden niet wist te komen.
71. Een diepzinnig Tractaatjen wegens zommige Getrouwde, die zich inbeelden in Virgo te slapen en in Capricornus eleveeren.
72. De Minnebroerszak, uytleverende veel ongehoorde en verfoeyelyke ydelheden.
73. Een Begraaffenis-Cedul van zeker Vrouwsperzoon, die 39 jaren de Hoer gespeelt had, met al de Titels van die genen, de welke vleeschelijk met haar geconverzeert hebben, makende te zamen 2536 zoo getrouwde, als ongetrouwde uit.
74. Een overdeftige Disputatie, inhoudende, of het eerlyker of geoorlofter is, een Hoer of een Dief weg te wezen, met de uitspraak daar by, door P.B.
75. Een Dansboek van de hedendaagsche ontuchtige Baanbreysters; nevens de correctie op haar quade capriolen en valsche passen, door den zelven.
76. Eenige aardigluydende en onbedachte Scheldtwoorden van een jonge Dochter, tegen de onbeschofte vrypostigheit van een Plattert, door zeker Bontwerker in Rijm gebracht.
77. Onvermoeyde Reflectien en zinryke Kantteekeningen over de Spelonk van Desperatie.
78. Een snaaks Boekje, beschryvende dat een paar gelade Pistolen, en een aangezette Houwdegen een krachtig argument is, om een Quaatspreker de loop te doen krygen.
79. Een Extract uit het Journaal van Donna Olimpia, by haar ten tyden van Innocentius gehouden.
80. Beschryving van een Practizijn, die aan de Pols van de Vader voelen, en aan des zelfs water zien konde, dat zijn Dochter een Man most hebben.

(wordt vervolgd)

Spotcatalogus Burman (1709) 1

vrijdag 9 maart 2007

Petrus Burmannus (1668-1741), hoogleraar historiarum et politices te Utrecht (1), had in 1709 een probleem. Er was een klacht tegen hem ingediend door Dina van Spangen, wegens het bezwangeren van haar éénentwintigjarige dochter Dina, tijdens de Utrechtse kermisdagen, op 10 juli 1708. Dat zou gebeurd zijn toen hij Dina, een dienstmeisje uit Den Haag, genood had op een intiem etentje, in een speelhuis naast het zijne, op de Utrechtse Maliebaan. De Maliebaan is in het algemeen een locatie die in vele vroeger en latere toneelstukken niet zonder enig snuiven genoemd wordt. Hij zou voorgewend hebben dat hij een weduwnaar was [quod non] met twee bloedjes van kinderen, en op zoek naar een dienstmeisje. Dat laatste was beslist waar.

Zeer vele en zeer concrete details rond hun treffen worden opgegeven in de processtukken (2). Uiteraard lag alles volgens Burman geheel anders. Ik heb in dit geval geen intuïtie wie er gelijk had. Die Dina was op zijn minst onvoorzichtig; was ze ergens op uit? Ik ben echter geneigd te denken dat Burman tonnen boter op het hoofd gehad heeft. De afloop van het proces schijnt niemand bekend te zijn. Is de zaak afgekocht?

Het is echter niet de bedoeling van Herkauwer alle keurslijfjes, zware pekelzonden en wat al niet door te lichten. Dat is meer iets voor de biograaf van Burman. Het gaat erom u de tekst van de imaginaire bibliotheek van Burman, vermoedelijk eind 1709 verschenen, ter beschikking te stellen. Die bibliotheek (waarbij het huisraad van Burman) zit boordevol verwijzingen naar deze affaire. Zoals gezegd, er is tot nu toe slechts één exemplaar van deze fake-bibliotheek bekend.

Genoeg gepraat, want anders volgt ook ditmaal de tekst niet. In afleveringen dus deze bibliotheek; wellicht af en toe voorafgegaan door enkele opmerkingen.

(1) Zie G.W. Kernkamp, Pieter Burman, van 1696 tot 1715 hoogleeraar te Utrecht. Overdruk uit het Verslag van het Prov. Utr. Gen. van Kunsten en Wetenschappen, 1933) Utrecht 1933.
(2) Proces, Geventileert voor den Ed. Hove van Utrecht tusschen Dina van Spangen, Wed. van Jan van Woudenberg, als Moeder ende Mombersse over haare onmondige Dogter Dina van Woudenberg, impetranten in cas van defloratie, Contra den Heere ende mr. Petrus Burmannus, professor in de Academie alhier ged: Tot Rotterdam, Gedrukt by Hermanus Herts, [1709].

De titelpagina:

CATALOGUS
Van eenige raare, door veel moeyten by
een gezogte schoone
BOEKEN
EN
MANUSCRIPTEN;
Nevens verscheyde fraaye
RARITEYTEN,
Van den alomvermaarden en Hoog-geleerden
HEER PROFESSOR
PETRUS BURMANNUS.
Zullende op den 28 van Wynmaant deze jaars
by Executie verkocht worden.
Gedrukt voor de Koopers.

Hierna begint de eigenlijke catalogus begint, p. 3-23. Het eerste segment bevat drukwerk en manuscripten, soms werkelijk bestaand, soms imaginair:

CATALOGUS,
Van eenige raare, door veel moeyten by
een gezogte schoone
BOEKEN
EN
MANUSCRIPTEN.

Miscellanei.

1. Pieter Aretijns dwalende Hoer, bekent onder den Titul van Uylespiegel op Noten.
2. De moetwillige Bootsgezel.
3. ’t Los en ongebonde Leven van veel Inwoonders van Jeverlant, met noten, door P.B.
4. Zeker geheim Schrift, inhoudende dat het zonden noch schanden is, meer als een Vrouw te beminnen.
5. Een Manuscript, ophalende zijn Heroique Daden omtrent het schenden en mishandelen van jonge Meisjens.
6. Ontdekking op wat manier hy, rentmeester zijnde, ’t buyten bedonge, als hy ’t een of ander placht te verhuuren, heeft ingevordert.
7. De Spaansche methode wegens ’t bekennen der Vrouwen.
8. Al de Werken van Uylespiegel, in een Fransche bant.
9. Een aardige Beschryving over de Melkvaatjens der Maagden en Vrouwen.
10. De Practijk der Gauwdieven.
11. Naaukeurige aanmerking dat imant eens banquerot moet speelen, zoo hy ryke Kinderen wil nalaten.
12. Den triumpheerenden Ondeugt naar ’t leven afgemaalt, met een Lofdicht, door P.B.
13. Eva Klonterbuiks nette Aanteekening, noopende de Discourssen, de welke in eenige amoureuze Conclusien met zeker 23 jarig Jongeling gepasseert zyn, als mede de redenen die haar tot den dronk gebracht hebben, nevens de kracht van ’t Vianische scherp.
14. ’t Kind van Weelden, of de Haagsche Lichtmis.
15. Een Tractaatjen, behelzende den dollen uitval tegen verscheyde Dames en jonge Juffrouwen, om dat ze hem ’t gezicht eenigsints belet hebben door ’t optrekken of sluyten van haar koetsglazen, als anderzints.
16. Een groote Bondel met verscheyde soorten van Pasquillen tot nadeel van Koningen, Overheden, Onderdanen, en goede Ingezetenen.
17. ’t Verhoert en Bacchant Leven van Jan Rap en zijn Maat.
18. De nuttigheid van ’t Hoerejagen, door P.B.
19. De Guit in zijn hart gesterkt, waar in omstandig aangetoont en met exempelen bewezen word, dat’er geen quaat, hoe groot het mag weezen, zonder Patroon of Voorstander is.
20. Sestienjarige Aanteekening wegens de Compassie van Meester Hans.
21. Een Tractaatjen, behelzende de Practijk om ymant mooy voor te komen en achter de rug met alle Schelmstukken te betigten.
22. Copye Authenticq van zeker Historie van eenige Straatschenders en Hoeredoppen, waar hy in zijn jeugt by verkeert heeft.
23. d’Openhartige Juffrouw, of d’ontdekte geveinsheit, 2 deelen.
24. ’t Bad der kruisnimphen en haare manieren, met kantteekeningen door P.B.
25. Koddige Beschryving van zeker mooy fraay Curieus, en zijn Spel.
26. De heymelijkheden van de Liefde en ’t Minnespel, door Aloisea Sigea van Toledo.
27. Jan Bonks kneepen in geraamt.
28. Een Tractaatje over ’t opdroogen der Natuur, met de Remedie om zulks, zoo veel doenlijk is, voor te komen.
29. De zindelijkheit omtrent het gebruyken der Vrouwen, met Noten, door P.B.
30. Verdichte achterklap, door den zelven voor goet gekeurt.
31. Een Ordonnantie, mede door den zelven ingestelt, waar alle Liefhebbers tot opbouw van haar vuyligheden, haar na moeten gedragen.
32. Lof van alle afdryvende kruyden en ’t gebruik van dien, door hem vermeerdert.
33. Verdeediging door den zelven, dat het geen quaat of ongepermitteert is, ymant dat kruit in aangebakke occasien in te geven.
34. Bewijs dat een eerlijk en regulier leven verachtelijk is.
35. Beschryving van ’t Plan en de Bataille tusschen hem en een zyner Colegaas.
36. Rozekrans der Maagdeschenders.

(wordt vervolgd)