woensdag 27 februari 2008

De geestenzienster van Trevoux: een kennis van Wolff/Deken

woensdag 25 april 2007

In de onuitgegeven manuscripten van Wolff/Deken die bedoeld zijn voor een vervolgdeel van hun Geschrift eener bejaarde vrouw (1802), bevindt zich een brief van Coosje aan haar vriendin Mietje, de hoofdpersoon uit het Geschrift.

Die brief zal waarschijnlijk niet opgenomen worden in de komende editie. Er zit echter bij dit stukje tekst een voetnoot van de schrijfsters, waaruit blijkt dat zij een curieuze vrouw kenden in Trévoux, waar zij enkele jaren verbleven, al vóór de Franse revolutie, en waar zij ook begonnen aan het genoemde Geschrift.

De tekst van die noot wil ik niet onthouden aan diegenen die zich bezighouden met de biografie van de schrijfsters. Eerst even de context.

De brief van Coosje aan Mietje begint met een associatieve gedachtengang maar komt spoedig bij het eerste hoofdonderwerp: de vraag waarom in de bijbel te pas en te onpas engelen verschijnen aan Jan, Johanna en alleman (allevrouw), maar in de eerste periode van het christendom nauwelijks, en later al helemaal niet. Vreemd!

(De belangstelling voor engelen, en voor hoe het zit in het hiernamaals, is een steeds terugkerend thema in het Geschrift, maar dat is hier en nu niet aan de orde).

Coosje vertelt verder: zij kent een Franse katholieke dame die bij haar tante verblijft (in Amsterdam). Deze dame geeft er zo af en toe blijk van dat zij meent de geesten van afgestorvenen te zien; onder hen ook Coosjes grootmoeder. De brief vervolgt met de vraag of Mietje niet mag gaan deelnemen aan Coosjes gezelschap, waar weliswaar gekaart wordt en andere vreselijke dingen gedaan - maarre - zou dat juist niet heel goed zijn voor Mietje, die nu wel een beetje buitenwerelds-christelijk opgevoed wordt?

Bij de passage over de hierboven genoemde Franse dame hebben de schrijfsters een noot toegevoegd. Zij luidt als volgt. Herkauwer heeft geen ingrepen gedaan in de tekst.

‘De uitgeefster deezes Geschrifts hebben jaaren agtereen gemeenzaam omgegaan met eene bejaarde Dame in de zelfde voorstad te Trevoux woonagtig die toen zij met haar vertrouwelijk wierd haar verhaalde dat zij zeer dikwijls in het Gezelschap van geesten was. Waar omtrend zij bijzonderheden verhaalde die al te vreemt zijn om geschreven te worden. Dikwijls had zij een Gesicht van het vagevuur en zag daar pijnigingen die alles overtreffen wat de wreedheid der ontaartste dwingelanden ooit had uitgedagt. Noch dan, was zij ook eenige dagen waarlijk ziek zo veel had zij geleden. Zij had een afgrijzen van de Kerkelijken. Eens bij haar aan huis zijnde in ’t gezelschap van een Curé, zag zij hem zeer sterk aan en zei: (hem bij zijn naam noemende), “Curé de Saint Bernard gij zijd of een zeer vroom man of de grootste huichelaar leg uw hand op uw hart”. De uitkomst heeft getoont wat hij was. Zij wist zeer zeker wie verdoemt wie zalig zijn zouden doch als men haar naar de persoonen vroeg zweeg zij en bad in zich zelf. Ik hebbe zeide zij eens tegen een onzer uw vader gezien in een staat van voor bereiding tot de hoogste gelukzaligheid. “Maar gij kende hem niet; gij zijd nooit buiten Frankrijk geweest” – “’t is mijn engel die mij gezegt heeft wie hij was.”
Zulke harssenschimmen kunnen ook al nuttig zijn. De vroome catolique vrouw geloofde ten minste dat er buiten haare kerk zaligheid zijn konde. Waarlijk, de menschenliefde geraakt in verzoeking om aan zommige protestanten, zo eene verkwikking des verstands hartelijk toe te wenschen.’

Mocht deze passage over een kennis van de schrijfsters iemand nuttig zijn, dan is een glas wijn te zijner tijd welkom. Een suikerbrood (zoals Wolff en Deken in voorraad hadden, te Trévoux; en waarvan ooit iemand dacht dat het echt brood was) hoeft niet. Herkauwers houden trouwens alleen van zout, heb ik ergens gelezen.

Geen opmerkingen: