woensdag 27 februari 2008

Het meisjesgenootschap (rond 1750) 3

vrijdag 13 april 2007

(vervolg)

CEETJE. Dewijl JULIE de zinspreuk van JANSJE beoordeeld heeft, ga ik, COOSJE, de uwe eens nazien. Ik verzoek u vriendelijk, is het u moogelijk, geloof nu eens niet mijn vernuft, (dat verkoopt wel eens knollen voor sitroenen) maar mijn oordeel, dat ik in weerwil van veele beletzelen heb gepoogd te oeffenen, hier in geholpen door de oplettendheid die ons ondervinding doet verkreigen. Nu, dat oordeel komt op tegen uw spreuk; het is als of Gij zeided: Geen onbekend vijand is gevaarlijk. De Waereld is wel mal, maar teevens nog al listig; och, zij zoude u, en Mietje en Jansje te gaauw kunnen zijn, juist om dat Gij haare streeken niet kend. Hoe verstandig ook opgevoed, hebt Gij, denk ik evenwel, uwe vijf zinnen; en die moeten te fijner, te aandoenelijker zijn naar gelang zij nog, bijnaar splinter nieuw zijn. Maar de waereld heeft een heele kraam beuzelingen waar voor zulke zinnen niet bijster onverschillig zijn; beuzelingen waar mede het geweten zich niet bemoeid, om dat het oordeel die onberispt laat. Er is maar eene zwaarigheid, men kan van onschaadelijke vruchten te veel voor de gezondheid eeten. De waereld heb ik eens vergeleeken bij een doortrapte looze jongen die, verliefd zijnde op een zedig Meisje, niet vergeet, “Zal dit liefje gunstig over mij denken dan moet ik mij naar Haar voegen.” Indien Hij hier door, mids hij een aangenaam voorkoomen en veel waereld heeft, Haar niet inneemt, is het een half Mirakel. Ik wierd niet opgevoed als Gij, mijne vriendinnen; maar heb mij zelf, onder het geleide des Hemels, gevormd. Het is daarom dat de waereld voor mij niet zo gevaarlijk is. Ik verkeerde met Haar van mijne kindscheid af; ik zag Haar in allerlei heumeur en weet van welke kneepen zij zich bediend, als zij verleiden wil. Hoe zoude ik op Haar verzot kunnen zijn? Ik neem Haar voor het geen zij is, en verwacht niets weezentlijks van Haar, hoe mooi zij praat.
COOSJE. Wel CEETJE, indien alle onze zinspreuken, zo veele goede lessen veroorzaaken, zal ik op een paar douzijn niet zien. Wij bedanken u, ondertusschen, voor uw nuttig en noodig onderwijs.
CEETJE. Van harte tot uw dienst, mids Gij ook geen brood voor vrienden spaard.
IK. Nu, dat is billijk die uitgast moet ingasten.
JANSJE. Ei, lieve COOSJE, nog eene zinspreuk?
COOSJE. Zut! Daar heb ik nog een mooje! “Wijsheid en vroolijkheid zijn kinderen der Natuur.
IK. Maar JANSJE, gij zit hier ook om te oordeelen, wat zegd Gij er van?
JANSJE. Tegen de spreuk zelf is, mooglijk, niet veel in te brengen dan dat zij te onbepaald is. Zij kan wel op ons gezelschap worden toegepast, wijl ons oogmerk bestaat in een verstandig vermaak, en gaarne kinderen der beschaafde Natuur zouden blijven. Maar begunstigen wij ook, door onze schikkingen, dat Oogmerk? Bij voorbeeld, is het al uitgemaakt dat het kaartspeelen dit oogmerk in de hand werkt? Slimheid, handigheid kan het ons leeren; dan, veel Wijsheid zie ik er waarlijk toch niet in. Kan men het spel wel meer een school der zelfskennis noemen, dan de comedie een school der goed[e] zeden?
JULIE. Of schoon mijn Nachthutke is afgekeurd, zal ik nog eens het mijne zeggen. Door zulke Gezelschappen voorbereid men zich, om nuttig en aangenaam te worden.
IK, lachgend. O, dat is al te zedig!
CEETJE. En ik twijfel sterk of het wel waar is!

(wordt vervolgd)

Geen opmerkingen: