woensdag 27 februari 2008

Het meisjesgenootschap (rond 1750) 4 (slot)

zondag 15 april 2007

(vervolg)

COOSJE. Nu deeze, ‘Eendracht maakt macht’.
CEETJE. Dat ziet er te staatkundig uit, het past beter op onze Geldmunten.
JANSJE. Ik denk daar al in mij zelven: waarom breeken wij nu nog langer ons hoofd met het uitdenken van zinspreuken, daar wij het reeds lang eens zijn om ons Gezelschap maar eenvoudig ‘Ons Cransje’ te noemen?
CEETJE. Wel JANSJE, nu dacht ik niet dat jij zo Egoistis was en alleen voor ons poppen Genoodschapje wilde zorgen. Wel kind, er worden wel andere, gewichtigen Genoodschappen in ons landje opgericht, Letter- en dichtkundige Genoodschappen; Genoodschappen waar in men zich in de Critiek zal oeffenen, en in het Sensureeren zal exserseeren, en nog veel intressanter; die ik uit, Liefde tot den vreede niet noemen zal. Moeten deeze menschen geen zinspreuken hebben? En zullen zij Hunne kostelijke tijd verspillen, Hunne talenten verneederen om die op te zoeken? In de uuren die zij daar toe zouden noodig hebben, kunnen zij een gansch Blad vol taalfouten opschrijven, een Bundel Gedichten maaken (want zij zijn er krap mede), vijfentwintig plaatschen in een werk eerst vervalschen en dan meesterlijk berispen, een Autheur gevoelens te laste leggen die Hij verfoeid, en Hem dan, om die geleerde gevoelens, met pausselijk Gezach te verketteren. Indien wij nu de vriendelijkheid hadden om onze zinspreuken te laaten drukken, hadden zij niets te doen, dan maar voor de vuist weg toe te greipen; hetzelfde welk eene, daar zij toch de kunst verstaan een voorstel, een leer en dus ook een spreuk alles te doen beteekenen wat zij willen, dat het beteekenen zal.
JULIE. Och die vrienden bezitten doorgaans veel te veel zotte eigenliefde; ’t zou hun fatsoen te na zijn uit onze handen iets te ontvangen en bruikbaar te vinden. ’t Zijn meest al van die Lieden die niet vraagen Wat? maar Wie?
IK. Zouden Wij wel ver van de waarheid afwijken wanneer wij op onze lieve JANSJES vraag, waarom dat Wij, na reeds een zinspreuk te hebben vastgesteld, ons nog met het uitdenken van meerderen ophielden, eenvoudig antwoorden: Om ons vernuft te oeffenen en daar mede te schitteren?

Een kleine blos op de wangen van JULIE en CEETJE en het slaan van het kloppertje, in mijnen eigen boezem, overtuigde mij dat ik het geraaden had.
Toen dachten wij aan het maaken van Wetten. Zij bestonden zo als alle goede dingen slechts in drie.
Met klokslag van vijfen, moesten wij bij elkandren zijn, op verbeurte van een sestehalf.
Er mogt niets gepresenteerd worden dan een kopje slemp (aan theedrinken dacht ni[e]mand van ons), op verbeurte van een Gulden.
Wij mogten onderling, niet spreeken dan in zuiver Nederduitsch, op verbeurte van vier schellingen.
Doch hier tegen appeleerde JULIE; zij beloofde echter nooit Fransch te zullen spreeken, als zij in staat zoude zijn zich in onze taal even verstaanbaar uittedrukken. Dit vonden wij zeer billijk. Onze zaaken dus beredderd en ons wel gedieverteerd hebben[d] wierd het tijd om te dineeren. Mijne lieve vriendinnen naamen afscheid, en gingen, ider naar Haar ouders Huis.

Geen opmerkingen: