zondag 18 februari 2007
Nu zelfs de Huishoudbeurs in opwinding raakt over de vraag wie van de Nederlandse vrouwen de stoutste en zoutste is, is een kleine observatie over de kleding der Nederlandse vrome meisjes rond 1800 wellicht heilzaam. Paulus Strick van Linschoten, een man die zowel de Nederlandse als een Duitse nationaliteit had, schrijft in 1817, in een terugblik op zijn verblijf in Nederland rond 1800:
‘De kleeding der zoogenaamde vrome zusjes is bijzonder merkwaardig en belagchelijk. Zij rijgen haar lijf zóó sterk en drukken de borst zóó in, dat deze ten laatste zoo plat wordt als eene plank. Hare mutsen, die even als bij de Joodsche vrouwen, het haar geheel en al moeten verbergen, liggen op de hoofden als waren zij er op vastgeplakt.’ (1)
Deze waarneming had ik, als ik die op tijd gevonden had, nog graag opgenomen in de recente editie Nijmeegse mutsen, een heruitgave van een satire uit 1792 over de mode. (2)
Paulus was in het algemeen niet zo in zijn sas met de Nederlandse gereformeerden. Hij raakte na de ramp met het kruitschip in Leiden (1807), door diverse dominees beschouwd als straf Gods voor Nederlandse progressiviteit, dan ook slaags met die heren, en werd zelfs oorzaak van een openbaar debat over kantianisme en religie. (3) Paulus over de Nederlandse cultuur rond 1805:
‘Nergens zijn er wel minder navolgers van Spinosa, dan in het land waar deeze grote wijsgeer het levenslicht aanschouwde, en zoo niet het geschreeuw van de Gereformeerde predikanten tegen eenen van Hemert, Kinker en eenige latere filozofen hen daarop opmerkzaam hadde gemaakt, zoude het grootste gedeelte der Hollanders naauwelijks weten, dat er een Kant, een Fichte, en eene kritische wijsbegeerte bestaan. En dan is deze laatste nog maar negatief bekend door den oorlog, welke de heilige paleologen haar aangedaan hebben.’ (4)
Om onze katernentellers en boekwetenschappers ook nog iets te doen te geven op deze dag, nog één ander citaat:
‘Geleerde boekhandelaars zijn er weinig meer. De tijden van de Elseviers en Wetsteins zijn voorbij, en ofschoon een Holtrop, Wild en Altheer, een Uylenbroek, Johannes Allart, Covens, Gartman, van Spaan, Immerzeel, van Kleef en nog eenige weinge anderen hier eene eervolle uitzondering maken, zoo zijn zij toch zeer dun gezaaid en eenige der genoemden reeds tot de eeuwige rust ingegaan.’ (5)
(1) [P.H.A.J. Strick van Linschoten] Herinneringen van den baron Strick van Linschoten. Naar het Hoogduitsch bewerkt door een staatsman. Tweede druk. Amsterdam 1857, p. 242.
(2) Nijmeegse mutsen. Een satire uit 1792. E.J.B. Schonck. De Bonheurs uit de mode. Heldendicht. Uitgegeven en toegelicht door André Hanou. Leuth, Astraea, 2006.
Deze uitgave, van E 18-zoveel, wordt de lezers/lezeressen portvrij toegezonden ad E 10, na een mailtje aan Herkauwer. Kom aan, meisjes, één keer minder naar Marlies Dekkers. U krijgt dan toch een massa hoedjes en wat al niet in huis, uit 1792.
(3) Meer hierover in mijn (nog te verschijnen) ‘De Ramp van Leiden: eigen schuld?’; in: Nederlands letterkundig Magazijn.
(4) Strick van Linschoten, a.w., p. 229.
(5) Strick van Linschoten, a.w., p. 233.
woensdag 27 februari 2008
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten