Posts tonen met het label Mode. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Mode. Alle posts tonen

maandag 3 maart 2008

Boerka zoekt vrouw (1830)

woensdag 13 februari 2008

Het jaar 1830 is zo ongeveer de grens van de periode waarover Herkauwer mededelingen wil doen, tenzij het nieuw materiaal betreft van of over aardige schrijvers die nog vóór 1800 geboren zijn.

Maar aangezien de mode in deze blog vaak voorwerp van aandacht geworden is, geeft hij uit 1830 een advertentie (1) voor een nieuw modeblad, in twee vormen. Het blad is, zoals de specialistes op dat terrein maar al te graag verwachten, een soort bewerking van een oorspronkelijk Parijse uitgave.

De advertentie is er één van een soort zoals Herkauwer nog niet zag voorkomen in een eerdere periode - hetgeen verder niets zegt.
Het bedrijf waar men op het nieuwe modeblad kan intekenen produceert ook kunsttepels, breukbanden en andere leukigheden.

‘PARIJSCHE MODE.
In Parijs, die bron van smaakvolle Mode, ziet men thans een nieuw Dagblad, onder den titel van: Latin, Sylphe et Trilly, hetwelk om deszelfs geestige zinspelingen, schetzende schimpen, goeden stijl en vooral elegante en schoon gegraveer[de] Mode-plaatjes een algemeenen bijval vindt, en alle andere van dien aard onderdrukt. De Uitgever zich vleiende met een even goed gevolg in het Koningrijk der Nederlanden, heeft de eer zulks aan te bieden aan de Dames, welke den goeden smaak, en de Heeren, welken den schoonen stijl van schrijven liefkozen. Dit Blad verschijnt dagelijks: dat van Zondag, onder den titel van: le Follet, is vergezeld van een of twee Mode-plaatjes, en alleenlijk gewijd aan de verschillende Modes van de laatste week.
Voorwaarde van Inteekening.
Franco: voor een Jaar f. 42:- Ned. Guld., voor zes Maanden f. 21:-, voor drie Maanden f. 10:50. Men kan ook des verkiezende alleenlijk inteekenen op het Blad van Zondags met de Mode-plaatjes, tegen den prijs van f. 15:- in het Jaar of f. 7:50 voor zes Maanden. - Adres, in de Warmoesstraat, No. 129, te Amsterdam, bij de Heeren GODEFROIS en Comp., koninklijke Geoctroijeerde Fabriekanten van de alom beroemde Elastieke Mechanieke Breuk-Banden, zonder riemen noch Dij-Banden, geprivilegeerde Leveranciers van verscheidene publieke en partikuliere gestichten, Uitvinders van de Kunst-Tepels en Drink-Glazen, een nieuw soort van Pomp-Lavement-Spuiten, den onlangs uitgevonde Dievenweerder, enz. enz. enz. NB. Met primo April BREUKBANDEN à TWEE GULDENS, welke de beste, die in dit Koningrijk gemaakt en die welke den Patient tot f. 12 à 15 gelverd worden, in allen opzigten evenaarden. - Brieven Franco.’

(1) In het Algemeen nieuws- en advertentie-blad van 2 januari 1830. - De in de tekst genoemde modebladen zijn niet te vinden in de NCC, behalve een exemplaar van Le Follet vanaf 1834. Daar is Herkauwer niet naar op zoek gegaan, want wat hem betreft te laat.

Bliksem in kapsel? (1778)

woensdag 2 januari 2008

Dat een mode als de bliksem kan inslaan, is bekend - althans bij de helft van het mensdom. Maar het omgekeerde?

Herkauwer las: De vederbossen, of het Kapsel naar de mode, blyspel, Vertoond op het groot Tooneel der Wéreld, en voornaamelyk te Parys. Voorafgegaan Door Onderzoekingen naar het Kapsel der Vrouwen van de Alöudheid, En gevolgd Van een Ontwerp ter oprichting eener Akadémie der Modes. Te Amsterdam, By J. van Gulik. 1778.

Het kwam Herkauwer voor dat deze tekst oorspronkelijk frans geweest moet zijn. Dat maakt verder niets uit, want deze editie werd gelezen in de Republiek.

Eén passage uit het voorwoord trok zijn aandacht. Dat voorwoord heeft een aparte titel: ‘Onderzoekingen naar het Kapsel van de Vrouwen der Alöudheid, door een’ Kapper, die leezen kan. Strekkende tot een Voorréden’.

Op blz. XIII-XIV vinden we de volgende waarschuwing:

‘Een vermaarde Professor in de Natuurkunde te Padua, M. TOALDO genaamd, heeft in zyn Traktaat over de Elektrische Leiders, zich de moeite gegeeven van in ’t voorbygaan te waarschouwen, dat de vrouwen, die voor ’t onweer bevreesd zyn, zich ’t gevaar daar van vergrooten door buitenspooriglyk hooge kapsels, die niet als door een ysselyk, groot getal metaalen spelden in verband gehouden worden.’

Volgt het advies, p. XIV:

‘in plaats van spelden lange naalden van been of yvoor, of wel karkassen, naauwkeuriglyk bewonden met zyde, en bepleisterd met hars, of andere diergelyke stoffen, die zoo zeer voor ’t onweer beveiligen, als het metaal bekwaam is om het zelve naar zich toe te trekken.’

U ziet: het harsen is altijd wel erg goed voor (geweest).

dinsdag 18 december 2007

dinsdag 18 december 2007

Het vervolg van de tekst uit de Letteroefeningen:

‘De verdienstelijke Van Effen beschimpte weleer met klem en geest de toen zoo algemeene Hoepelrokken, Paniers, Gueridons, enz. De vernuftige Bellamij maakte een gedicht tegen de Keurslijven. In onzen tijd, die voorzeker, in smaak van eenvoudige kleederdragt, verre boven die onzer Vaderen te roemen was, zagen wij beide soorten van gebaleinde pronkerij afgeschaft. De handel in baleinen had geen vertier; de Keurlijfmakers hadden geen werk. Een of andere Philopaleus mogt brommen, ieder verstandig man keurde het goed; de bekoorlijke Sexe inzonderheid was wel in haar schik. - De Rijglijven echter zijn, helaas! terug gekeerd. Wie toch had dit gedacht? Eerst was het een enkeld baleintje in een lijfje, toen een lenig Corchetje, en zoo zijn allengskens de Keurslijven bij de Godesse Mode weder geheel in genade aangenomen, met blanchettes en ik weet niet al welke baleinen en ijzeren ingredienten. - Is zulk eene dragt, mijne Landgenooten, echter niet klaarblijkelijk ongezond en belemmerend? Die edele vaardigheid, lenigheid en buigzaamheid des ligchaams, zijn zij niet als vastgebonden? De midden, door den Schepper tot ontwikkeling en gemakkelijke wending zoo wijs, zoo uitnemend gewrocht, hoe is zij geprangd? De vlugheid en levendigheid zijn geknakt. Het jeugdig meisje, dat zoo lang vrij en los in de kinderlijke spelen van hare broertjes deelde, en trotsch allen zich buigen en wenden kon, tot ontluiking harer physieke krachten door een geregelden omloop van bloed en vochten, zit nu, bitter stijf en gekneld door de schors, die haar de midden omgeeft, de luchtige spelen van hare broeders, met haar breijen in de hand, treurig aan te zien. De meer volwassene Maagd wordt mede onnatuurlijk gekneld door deze kleederdragt; en dat, zoo het heet, om beter postuur te erlangen en netter figuur te krijgen. Hoe verdwalen ’s menschen zinnen, wanneer de Mode in het spel komt! Wie is zoo verkeerd, die niet ziet, dat geheel het ongemaakte postuur, de losse en geestige figuur, door eene stijve, gedwongene en gemaakte houding vervangen is? - ‘Maar het staat zedig.’ - Waarom voegt gij ’er niet eerbaar bij? Moet dan de maagdelijke eerbaarheid dus bemuurd en omwald worden? Jammer genoeg, zoo zij dus zou moeten verdedigd worden!

Had dan de deugd geen magts genoeg,
Dat ze een vermeetle hand verjoeg’,
Die, met een dartle drift, een’ boezem dorst genaken?
Moest dan een mislijk zamenstel
Van walvisschbeen, met wreed geknel,
De maagdelijke borst zoo strengelijk bewaken?

[Bellamij, Gezangen mijner jeugd, bl. 149]

Gelooft mij, waar de zedigheid en eerbaarheid niet in het harte wonen, zal men ze vergeefs zoeken vast te rijgen! - ‘Maar ik zelve heb in mijne jeugd een Keurslijf gedragen,’ zoo, dunkt mij, hoor ik de Moeders zeggen, ‘en ben ik dan niet welgemaakt?’ - Vergeef mij, Dames! op deze vraag was ik niet verdacht; - daar valt niets op te antwoorden: - mag ik echter ook eens vragen? De Chineesche mamaatjes, die den voet in den looden schoen van jongs af klein houden, zouden eene dergelijke vraag doen aan hem, die haar het onnatuurlijke hiervan aanwees: moet men daarom zulk eene dragt goedkeuren? - ‘Maar niemand heeft vóór een groote vijf-en-twintig jaar tegen die zoogenaamde banden geijverd; geen Schrijver’ - Eilieve gun mij dat ik u in de reden val. Vader Cats, een aanzienlijk maar opregt man, die de verbeteringen handhaaft en de gebreken gispt, hoe ook vastgeworteld of verschanst, zingt in zijne Bruyt:

Is ’t niet een wonder stuck? die niet en kan verdragen,
De teerste van den hoop, wil sonder schricken wagen
Dat yemant met de priem, of ick en weet niet wat,
Haer drille door het vir, en maeck een open gat. -
Is ’t niet een vreemde daet? men laet benaude prangen
Ontrent het swacke lijf en teere leden hangen,
Men acht geen ongemack, men draeght gewilligh pijn.
Ey wacht u, jonge vrou, de leden in te binden,
En met een naeuwe praem te woelen en te winden,
Het ruym voor uwe vrucht van Gode toebereyt
En moet door enge dracht niet worden ingeleyt.

Moeders! hebt gij over dit laatste wel eens ernstig nagedacht? Zoo niet, doet het nu. - Zijt verstandig en moedig. Verwijdert van u en uwe Dochters zulk eene prangende dragt, en klemt uwe kinderen weder los en vrij aan uwen boezem. - En gij, Vaders! die dikwerf, uit eene verkeerde toegevendheid, uwe Vrouwen hierin te veel ter wille zijy, - verbeeldt u voor een oogenblik tot zulk een Harnasgeknel gedoemd te zijn; hoe zou het u in alles belemmeren! En is vlugheid, behendigheid, gemakkelijke wending de Vrouwen minder noodzakelijk? Immers neen. - Nu dan; door te veel Echtgenooten te zijn, vergeet niet langer dat gij Vaders zijt!

Natuur! men handelt u tot hoon!

Gij schept vergeefs uw toovrend schoon:
Gij kunt der griligheid er mode niet behagen!
Ach! mogt zij, die dees dwaze pracht
Te zinneloos heeft uitgedacht,
Tot straffe, in Pluto’s hof, een gloeijend harnas dragen!’

Tegen de rijglijven (1807) (1)

maandag 17 december 2007

De Vaderlandsche Letteroefeningen zijn in het algemeen niet erg joepie! maar zeer bedachtzaam, zelfs af en toe behoorlijk polderend en gladstrijkend. Zij worden dan ook graag benut door die geleerden die ons verleden bestuderen.

Daarom werd Herkauwer getroffen door een wat geopinioneerder stukje, getiteld ‘Iets over de rijglijven’ (VLO 1807-II p. 82-86).

Het stukje is te lang om in zijn geheel over te nemen. De anonieme steller begint met een discussie over Lampjes, licht, en neologen, en voert even in het verlengde daarvan twee antagonisten op. De eerste, Philopaleus, keurt al het oude goed omdat het simpelweg oud is. Zijn geestverwanten zijn tegen ’t Nut, inenting en zo meer; en bestaan enerzijds uit lieden van hoge geboorte, anderzijds uit het ‘arm burger-kanalje’ (een bekende Nederlandse combinatie). De tweede, Philocaenus, vindt alles wat nieuw is prachtig. Hij raakt geheel rozig van elk nieuw filosofisch stelsel.

‘Hij was weleer lid van alle Leesgezelschappen, Clubs en Grondvergaderingen. Hij hielp de Wapens en Carrépruiken verbranden, danste om den Vrijheidsboom [..]. Hij stond op zijn vertrek naar San Domingo, toen hij nog even bijtijds hoorde, dat alle blanken daar vermoord werden; hij wenschte zich toen zwart, noemde den ijsselijken moord eene billijke wedervergelding. [De schrijver doelt op de gelukte slavenopstand op Haiti, denkt Herkauwer. Komt u trouwens deze denkwijze bekend voor?] Zijne kleine Kinders moeten dagelijks, van de geboorte af, in eene ton met koud water. Zijne Dochters mogen geen veter aan het lijf hebben, enz. enz. enz.’

‘Maar wij zijn bitter afgedwaald [...]. Er zit dus niets anders op, dan [...] dadelijk over het herleven der Rijglijven te beginnen.’

Herkauwer brengt nu eerst even in herinnering dat in de voorgaande revolutietijden de empirestijl in de mode was, en dat vrouwen toen op zijn antieks (en dus soms karig) gekleed gingen en gevolgelijk vaak verkouden waren. Nu zijn echter die tijden in aantocht waar de romans van Jane Austen en de zusjes Brontë over handelen. Tijden die u geroerd beziet op de buis; maar waarin feitelijk de meesten van die dan steeds meer op alle manieren ingesnoerde vrouwen, vergeefs zoeken naar de uitvlucht die een Heathcliffe, of zelfs een Bas van der Vlist, hen kan bieden.

(wordt vervolgd)

zaterdag 1 maart 2008

Mode (1772) (6) (slot)

woensdag 12 september 2007

a la pommerie hadt ik byna vergeete, die wel na een Sleepers Paerd gelykt, die een nieuwe Pluim op heeft; doch als ik van al die Mutsen en Kapsels een uitleg zou doen, hoefden ik in geen half dozyn jaaren, myn mont te houden, en dan had ik nog niet gedaan. Als daar zyn de zogenaamde Mannebehaagertjes, anders genaamt Kinmutsjes, of de bekoorlyke Cornetjes, Wangmutsjes, daar de Burgers en Ambachtslieden, mitsgaders de Dienstmeisjes zo gloriëus op zyn, als een Hoogduitsche Koetzier op en paar geknoopte Snorre, of een Speelhuis Castelyn, dat hy mooijê Venus Nimpjes op de bank heeft; onder ’t aldergemeenste soort van Straatdames, regeert principaal Madame a la Jordaan, die in haar gevolg heeft, de zeer honnette freule a la Panhaaring, met Mevrouw a la Varsewaar, die zeer na bevrind is, met Mejuffer Zingzang, ‘een pertienente beschryving van ’t geen ’er is voorgevallen, geef [303] ik voor een Oortje’, die tot zusters heeft a la Pan-Eel, met de jonge Juffer a la Blomkool, geboore Dames van ’t Hennipzeel, die volgens de Genologiesche Tafel annex is, van Vaders en Moeders zyde, met Madame a la Reepen en Eerdappelé en Mevrouw a la Eerdebeyën, een dubbeltje een pot, maar wagt, ik vraag excuus, en vergeet Mevrouw a la Mossel, benevens haar zeedige Dochter, freule Oester, a la Schelvis, en Mevrouw levendiege Bot, zyn ook niet te verägten, want houden de MOODE in zulken agting, dat zy altoos met de muts op zy, en het hair aan alle kante daar uitpronken; ’t eenigst is, dat die MOODEN niet ligt gevolgd kan worden, of zulke Daames moeten de slag hebben, om haar Neus met de vingers te decrotteere of te snuiten, flens tegen de grond, of anders die dat niet wel doen kan, gebruike haar Tabeltjé. Ik moet ook niet vergeeten a la Brakkinnen, doch daar zyn zulke differente soorten van Mutsen onder, dat het niet wel is te beschryven, want Juffrouw a la ligtomdyne, gebruikt ’er een, voor plat op het hoofd, een breed Lint daar op, van agteren weg vliegende, of zy om haar kuisheid te verliezen, tegen de wind oploopt, een ander wederom, wel dito fatzoen, maar geen Lint daar op, een derde, dito soort, maar krulle van valsch hair, geploozen uit een zwarte Surinaamsche Bok. [304]
Van de Noord-Hollanders zou ook wat van een Mooden of tien gezegt kunnen worde, en de Frieze niet minder, maar die schepsels hebben genoeg te doen, om haar Lykdoorens op de Ooren te geneezen, verwekt door ’t knypen van de goude en zilvere Yzers, als ook meden van de hedendaagsche Princessekappe, Vrouwe Hoeden, het blankette der Daames, ’t ontbloote der boezems, en meerder diergelyke, doch dit laat ik voor de geen die in de volgende byeenkomst moet spreeken, en meen thans genoeg gezegd te hebben, wat de Moode der hedendaagsche Vrouwelyke Sexe omtrent het hoofd is, die ieder een graag zal bekenne, dat veel met de Ouden scheelt.

D. Gy hebt my weergaloos voldaan Broeder B. maar ik raad uw niet zonder zydgeweer de deur uit te gaan, want de Vrouwlui zullen u vermoorde.

A. ’t Zal zulk een vaart niet loopen, en die verderflyke kanker mag wel wat hebben, doch ’t zal tyd zyn dat wy scheiden.

D. Ik Gaa zeer vergenoegt na myn huis, het eenigst is dat myn spyt, dat myn Vrouws Muts zo geaffronteerd is.

Mode (1772) 5

dinsdag 11 september 2007

doch dit Kapsel [de Dormeuse. H.] hebben de eerste Dames van rang afgestaan aan Burger Vrouwtjes, Fransche Winkel Dogters, Naistertjes, onder de hand Mutsemaaksters &c. &c. uit dit Musje steeken Mysjes met zwarte bekjes en spitze gezigte uit als de punt van een Camoesde Schoen die versleeten is, uit het zakgat van een witte Satyne Rok. Geeft wel agt op Madam a la petit Coeur, haar Kapsel zit haar zo strak over het hoofd, als een Huzaaren Broek; twee vleugeltjes, in de navolging van Mercurius, zyn Helm met een Agret in ’t midden, is zy wat dik van wangen, gelykt zy byzonder veel met haar moisjes op ’t gezigt na een Ketel-Koek met Krente, daar de Zak van geborste is; Juffrouw a la Villageoise, heeft een toepet zo breed, dat ’er een leger Pigmeene malkander slag op kunne leeveren, van agter is haar hoofd als een Vaatedoek die in malkander is gefrommeld, daar een party veel couleuriege Linten by afhangen. Geeft nu wel agt op Madam a la Jamaishu, als zy wel gekapt is; dan is haar gezigt op ’t oog af, een Engelsche myl lang[;] de grootste Bloemist, kan kwaalyk zo veel bloemen in een Jaar teelen, dat hy haar een half jaar met levendige bloem zou kunne onderhouden. Juffrouw a la grece, is persies het model [301] van een Wyfjes duit, uitgezeid dat zy mede bloemen op haar hoofd heeft, en een Kettingje om haar hals als een Rooms paternoster; is zy wat vol van weezen, maakt zy het heerlykst figuur van een koekepot die overrryst: maar hier moet men op staröogen, wie verliefd niet op Madam a la Engelese, met haar cierlyke Hoedje op het hoofd, rondsom geciert met kant en bloemen, daar zelfs een Roozeboom boven op schynt te wasschen, haar Kapsel is zo volmaakt bevallig, dat het zonde is, dat die Daame niet word geëmploijeerd by een Kwakzalver, zy zou vry wat beeter parade maaken, als de oude Mevrouw a l’Antique, daar geen hair breed onderscheid in is tusschen haar en een oude Jood, die rooziege tandpyn heeft, en niet doet als roepe, ô wai, ô wai, en vervolgens een witte Vaatedoek uit de Zaturdagsche wasch om zyn hoofd heeft gedaan, en met die Opschik meent zy reikelyk zo mooi te zyn, als de Gouvernanten a la Douairiere. Ik hou vol, dat de alderstemmigste Philosooph haar niet kan aanzien, of hy moet laggen dat hem ’t warme water tot de pypen van de Broek uit loopt, want wie kan stemmig zien, als hy een bejaarde Daame ziet, die de tip van haar Muts tot halfweegen haar Neus hangt, op de wys als een Geestelyk Klopje, en wil quaasi zedig schynen, daar zy alles is, behalve dat, want [302] zy bouwt het Speelhuis op de Kerk, en zet over haar Tipmuts een zwierig Kapsel, dat zo cierlyk staat als een Schoensmeerder, die eerst een Slaapmuts op heeft, daar over een Hoed, en dan een drie couleurde Paruik daar de mot in is, vervolgens ’t loof van een bos Hoornsche of Leidsche Wortelen boven op, welke groente zo veel verstrekt, als ’t Tuilke dat Madam op ’t hoofd heeft:

(wordt vervolgd)

Mode (1772) (3)

vrijdag 7 september 2007

Het allerëerst zoude wel verdiene aangehaald te worden ’t Kapsel, welke wy nu twee jaar geleeden, in de Courant van hebben gehad, en in Vrankryk was uitgevonden, daar de Heeren a la môdesche Francoize van opgeeven, dat ruim drie en een halve voet, en [294] eenige duimen hoog was, dog om dat hetzelve geen voortgang heeft gehad, zal ik daar van zwygen; ik kan niet wel begrypen, waarom of de Dames dit Kapsel afgekeurd hebben, of het moet weezen, dat zy met dat Gebouw van Linten, haar hoofden niet in balans hebbe kunnen houden, door ’t overwigt, of anders dat zy bevonden hebben, dat die Kapsels nadeelig waren, om somtyds met de een of ander Minnaar, in een Zomerhuisje, dat wat laag van verdieping is, een nadrukkelyk gesprek te houden. Ik zal dan ’t allerëerst myn toneel opene, met Madame a la Cacatoe, ziet eens met welken opschik zy voor het ligt komt! haar hoofd is vercierd met met een hoogte van hair, of zy een halve Bykorf met hair overtrokken, op de kop heeft, te vooren, namentlyk een jaar of twee geleeden, hadden zy daar de krullen nog niet by gepraktizeerd, als heede, die ten minste een voet by de Cakatoe uitsteeken, zoo dat het heede wel gelykt, of zy een geborste Wolbaal op de kop heeft, en maakt geen minder belaggelyk figuur, als Madame a la Favoriete, welke met haar opgesmukt gelaat, vol Moesjes, daar zy schurft en niet schurft is, verkiest een Mutsje, zeer galant, met wangetjes van Antoilagie Kant, een verciersters winkel, vol Bloemen op het hoofd, en een Koljé van alderhande soorte van kouleuren, dat zy van haar Mentieneur [295] prezent heeft gekreegen: Niet minder gloriëus is Mejuffer a la Bouquette, bekykt haar eens van agtere, haar opstaande Cabrieölet hoed, daar zy een arm vol Bloemen, en een kruiwagen vol Linten op heeft, gelyk ook in haare nek; of zy op een Smouse Poerim, voor Burgeres uit de Maan heeft gespeelt. Juffrouw a la Pirna, om te toone dat zy het niet vast met de bol heeft, en haar hoofd door de MOODEN op hol is geraakt, komt met haar vyf goede Vrindinne, Madam a la Meaupeau, die nog al eenigsints piëus is; Juffrouw a la Nonpareil, en dat lieve geblankette bekje a la Lowoschutz, ’t Smoddersmoeltje a l’Esclavage, en Madame a la Nouvelle môde, ieder hebbe zy een Kapsel op na de moode, dog scheelen egter in ’t fatsoen zoo veel, als een sneetje van een Hoornsche Wortel, by een Romynsch Schild, egter zyn zy zoo voorzigtig, om te weeten, dat kopjes met zulke modesche harsens beswangert, wel Leibande noodig hebben, om die reden hebben zy goedgevonde, aan ieder zy van ’t hoofd, een Leiband, van Kant of zyde Linte, te laate hange, zeeker uit voorzorg, tegens dat de MOODE haar heel en al met Molentjes zal laate loopen, en dan kunne zy die daar dienst nog van hebben, dat men haar op de stoel vast bind, om niet voor dwaas langs de straat te loopen; gelyk Madame a la Gen[296]tillen die gepraktiezeerd heeft, om een Koljé of Halsband van Kant, om de hals te doen, die breeder is, als haar hals lang, en de arme Juffer heeft de uiterste moeite van de waereld, om haar hals zoo lang uit te rekken; Zoo is het ook met Madam a la Duchesse, een volmaakte mooijê Paruikebol van vooren, en van agtere, ’t zinnebeeld van de Gekroonde Zotheid, rustende op een Pedestal van Cakelbonte Linte; Men moet laggen om de MOODE van Juffrouw au fil de Pertes, die met haar magere gezigt, byzonder na een koorsige Spanjool gelykt, die bevroore is, haar lange Neus maakt uit die petiete Muts, een cierlyke parade; Zy is meede gestrikt, zoo wel als Mevrouw a la Pompadour, welk zoo liefelyk ruikt, dat een gemoedelyke Savojaart zelfs zou bekenne, dat een Marmottenest zoo liefelyk mogt ruiken, maar anders niets in de waereld; Madam a la Spirituelle, moet ik ook om denken, haar Muts is zoo wonderlyk door elkander gevlogten, dat een Boer zou meenen, dat de kinderen van Pluto en Proserpien daar meede op de kakstoel gespeeld hadden, en zy is verders zoo zwierig met Linten om haar Kameele hals opgesmukt, als een Palmpaasche daar de kinderen meede speelen;

(wordt vervolgd)
donderdag 6 september 2007

[...] De Vraag is dezelve als de voorige Week, Wat is de Mooden? Myn Heer de President heeft alreets aangetoond, wat de MOODEN der Manne, van onze hedendaagsche tyd is, en hoe veel dezelve, (alleen [291] maar aan de schouders toe) verscheeld met de Ouden.
Dog myn voorneemen is tans om de MOODEN van ons hedendaags Jufferschap niet alleen, maar ook de meerder en minder soort aan te toonen, en eens te zien, of dezelve niet wel zoo veel verscheeld in ongerymdheid, dan die der Mannen.

D. Noobel, dat staat my aan, want die Vloipelsen worde zoo verwaant, als een Gek wanneer men hem pryst, en zoo onbeschaamt, als Straatnimpfen, en zoo brutaal, als Beedelaars die met ’t Pistool in de vuist, om een aalmoes vraagen.

B. Als de Heeren dan maar eens gelieve te hooren; De MOODEN is tans veel meer nog verscheelende, aangaande de Dames van deeze tyd, met die van de voorige Eeuwen, als met de Heeren. Ik ben niet onbewust dat de Pronkepuntjes van onze Eeuw, my zoude te gemoed kunne voeren, dat ’er van Oude tyden, ook al wonderlyke MOODENS zyn geweest! want volgens ’t verhaal van Montaigne, zoo zoude de Vrouwe der Lacedomiërs, onbeschaamd genoeg geweest hebben, om zonder Keurs of Kleed, dat de dyën kwalyk bedekt waren, in de perke te verschynene, daar de naakte Jongelinge om stryd worstelden; Dog ik zal daar op, voor eerst, antwoorde; dat ik geloof, dat die MOODE van byna nakent te gaan, de Vrouwen der Lacedomiers, meer was toe te schryven, aan [292] haar eenvoudigheid, dan dartelheid, en dat zy niet minder kuis waaren, dan veele onzer hedendaagsche Vrouwen: Ten anderen, het waaren onbeschaamde Heidensche Volken, daar de Vrouwe van onze tyd, integendeel, zeer graag de naam hebben, van niet alleen welopgevoed, maar goede Chrsitenen te zyn. Ten derde, zoo spreek ik van de MOODEN der Hollandsche Vrouwen, en derzelver verandering, welk in de tyd van anderhalf hondert jaar is voorgevallen; wie zoude hebben durve droomen? dat een staatelyke Huismoeder kroost zou hebben voortgebragt, zoo veel verschillende in kleeding, by de haare, ik geloof, niemant, ’t schynt zelfs Fabuleus, als men eens een Schildery of Portret ziet, dat een hondert jaar oud is, en waar op door een konstpenseel, de een of ander Mevrouw van Geboorte, of Juffer, of burger Vrouwspersoon, is uitgebeeld, op zyn oud Hollands toegetakeld, dat men dan zal zeggen, dat is, of verbeeld onze Grootmoeder; de Dames, welke in die tyd niet minder van Geboorte gevonde wierden, vergenoegde haar, al waare ’t nog zulke groote Mevrouwen, de meesten magt met een eenvoudig Kapsel, welk meerder strekten tot het gebruik, dan tot hovaardy, wynige vond men, die witte Kapsels droegen, de meesten magt, bestonde in zwarte Kapsels, zoo wel van de Groote als [293] Klyne, daar was op de duyzendste part, zulk een wispeltuurige verandering niet, ’t grootst onderscheid, dat in de Kapsels bestond, was, dat ryke vermoogende lieden, dezelve Kapsels vercierde met Paerlen van een schoon water, ook wel Diämante, ieder na zyn staat.

Dog in al dit, wierd de zeedigheid en billykheid betragt; even was ’t met die geene, welke witte Hoofd dekzels of Kapsels op hadden; men vond maar weinig onderscheid in dezelve, ik weet ’t fatsoen dier Kapsels niet beeter te vergelyken, in onze tyd, dan by die der Molkweeren, Markers, Schotlanders, Urkers, en verdere Ylanders, welke de eenigste tans nog zyn, die de eer van de Ouden Hollandsche Natie, eenigermaaten ophouden, beziet haar eens met aandagt, en vergelyk dezelve met een Schildery van en Ouden Hollandsche Juffer, zoo twyffel ik niet, of gy zult bevinde, dat ik de waarheid spreek, dog alzoo ik myn tyd nodig heb, zal ik van de Oude afstappen; en toonen eens aan, de MOODE van de hedendaagsche Waereld, aangaande de Dames.

(wordt vervolgd)

Mode (1772) (1)

woensdag 5 september 2007


Wegens de editie van het Nijmeegse mutsenepos van Schonck uit 1792, De Bonheurs uit de mode (heruitgave: 2006) raakte Herkauwer geïnteresseerd in neusdoeken, pommades, hakjes en méér dergelijke uiterst belangrijke zaken.

Het is hier dikwijls uiterst moeilijk het naadje van de kous te weten te komen.

Dat verraste hem eigenlijk. De oorzaak is echter de gebruikelijke: degelijke studies op dit terrein zijn schaars. De weinige, welwillende, informantes die iets weten van de mode in de lange achttiende eeuw vallen in grote lijnen, hoor!) in twee groepen uiteen:

- nijvere naspeursters van bijvoorbeeld de lonen van naaisters; of van advertenties voor galanteriewinkels, ‘Franse’ winkels’ enz.
- meisjes en vrouwen die er ALLES van weten maar zich in feite baseren op schilderijen uit de Renaissance (‘Nou, de vrouw van burgemeester Six droeg toch wel degelijk die lapjes en lobjes? Ja toch?’) en/of uit Parijs geimporteerde modeplaten van rond, zeg, 1780.

Dat schiet niet erg op. Ook gelooft men Herkauwer nooit als hij zegt dat vrouwen ten tijde van Schimmelpenninck soms doorzichtige jurkjes droegen, of dat... Tja, de culturele invloed van Da Costa reikt ook vandaag de dag nog zeer ver.

Een week geleden kwamen de Naamlooziana van 1772 even aan de orde.

Nummer 23 van dat blad gaat geheel over de mode. Herkauwer vindt het aardig die overigens tamelijk vulgaire tekst onder uw aandacht te brengen. Hij denkt dat hier wat leerzaams te vinden is.

Kijkt u desondanks een beetje uit - want dit blad is een weekblad. Als zodanig heeft het haast verplicht een ‘spectatoriaal’ element en moet het waarschuwen tegen verval van zeden; welk verval natuurlijk bijna altijd veroorzaakt is door goddelozen van over de grens. Alleen onervaren lieden nemen dat soort culturele constructies voor waarheid aan.

Ook hier is het de vraag of al die modepopjes die ons als het ware in een lanterne magique gepresenteerd worden, wel echt ronddrentelden op Herengracht of Lange Voorhout. De schrijver gebruikt, p. 297, vermoedelijk per ongeluk het begrip ‘plaat’. Had hij dus toch een boek of tijdschrift met platen uit Parijs voor zich liggen?

Voorzichtig dus. Maar toch lijken de Naamlooziana hier en daar een kijkje te geven op (een deel van) de realiteit. Vandaag alleen enkele inleidende regels.


[ 289] eene bespiegelende Dissertatie, op het divertissant voorstel:
Wat is de Mooden?

Héden den vyfden Maandag in Leeuwenmaand.

Is ’t wel een wonder dat een man,
Het in dees tyd niet houden kan?
Wanneer men overdenkt,
Dat de MOODE hunner vrouwe,
Om slegts haar KAPSELS te onderhouwen,
Zoo roekeloos het geld doorbrengt.

B. Al de Heeren reets by elkander! en ik de laatste! zulks had ik, om de waarheit te zeggen, niet gedagt, alzoo het nog vroeg is; dog ik denk dat de Heeren meede al met een weinigje nieuwsgierigheid zyn behebt.

A. Om Ued. de waarheid te zeggen [290] Broeder B., zoo is hetzelve zoo mis niet gegist.
D. Ik ben wel deegelyk nieusgierig, en hoop dat gy toond, een weinigje meer medelyden met de arme MOODEN te hebben, want als de lieden tot dat gevoelen overgingen, het geen de Heer President, boven onze hedendaagsche heeft gelieve te prefereeren, dan sturven de Francoize van honger, en de Fransche kraamers en Winkeldogters, mogten voor het overschot van haar Kapietaal, wel ieder een Lollepotje koopen, en op den Boer gaan, en zeggen Ued. Serviteur Mons. Boer, een Booterham of ik vreet myn kameraat op.

B. Als Ued. denkt Broeder D., dat ik de MOODE zou ontzien, dan zyt gy de plank mis.

D. Gaat u’ gang Vriend, maar ontziet myn dragt wat, kyk, ik hou byzonder van zulke menschen, die al weeten zy wat van myn, zoo poliet zyn, om ’t my niet in de neus te vryven, want ik geloof het zal myn beurd ook worden.

(wordt vervolgd)

donderdag 28 februari 2008

Jozefisme en Heleen van Royen

vrijdag 18 mei 2007

Omdat hij verzocht is bij een symposiumpje daarover kort te spreken, las Herkauwer gisteren het begin dit jaar uitgekomen Stout, door Heleen van Royen en Marlies Dekkers.

Hij moet, zo is de veronderstelling, daar iets over zeggen dat alleen een specialist oudere letterkunde kan verzinnen; dus hij heeft ervan gemaakt dat het een echt moralistisch-spectatoriaal boekje is. Dat is niet helemaal onwaar, maar wel tamelijk bijzijden de waarheid. Misschien leest u het wel over een paar weken in deze blog.

Ik herinner me dat een studente Heleen een beetje ordi, maar Marlies Dekkers heel OK vindt. Ik bedoel: zij vindt de persoon van Heleen een beetje vulgair, maar al die lingerie van Marlies prachtig. Dat kan. Die Marlies ziet er echter als vrouw niet leuk uit, vind ik (er staan massa’s foto’s in Stout). Een beetje onooglijk. Zij heeft niet bepaald (om een beetje verdraaid Marlowe te citeren) ‘the face that launched a thousand slips’.

Ze heeft echter heel goede dingen te zeggen over de geschiedenis van de mode, en over ondergoed in de achttiende eeuw - dat er dus niet is. Dat laatste schijnt voor de meeste vrouwen altijd een verrassend, en soms zelfs onacceptabel idee te zijn. Leest u zelf maar, want het is best een aardig boekje.

Heleen maakt wel een gebruikelijke fout wanneer zij denkt (p. 11) dat ‘Onbevlekte ontvangenis’ zoiets betekent dat er bij de conceptie van Maria geen man aan te pas gekomen is. Dat dogma betekent simpelweg dat Maria op dat moment niet viel onder de wetten van de erfzonde en op die manier zonder zonde was (anders zou Christus ook automatisch de erfzonde gekregen hebben, volgens de religieuze wetten van Mendel).

Dat veel gelovigen denken dat Jozef er ook feitelijk niets mee vandoen heeft gehad, is een heel andere zaak. Achttiende-eeuwers kennen deze theorie als Jozefisme: alles voor, niets door het volk.

Het zou trouwens wel es aardig zijn na te gaan hoe de mode in de bijbel een rol speelt, of hoe de vrouwen uit de bijbel in de loop der eeuwen zijn afgebeeld. Hoe werden die vijgeblaadjes eigenlijk bij elkaar gehouden? Wat droeg Tamar toen ze Amnon verleidde? Judith, bij Holofernes? Had Ruth niets leuks aan toen ze bij Boaz op het puntje van diens deken sliep, om zijn gunst af te smeken? Wat Maria van Magdala droeg laat zich wel denken. Enzovoorts. ’t Is nog heel wat allemaal bij elkaar, vermoed ik.

Wat me altijd een beetje verbaast bij prostituees op schilderijen uit de achttiende eeuw, is dat die meisjes er altijd vrij normaal uitzien. Een soort gewone dienstmeisjes, met onbenullige mutsjes en dito kleren. Maar misschien weet iemand dat veel beter.

woensdag 27 februari 2008

Mode der vromen (1800)

zondag 18 februari 2007

Nu zelfs de Huishoudbeurs in opwinding raakt over de vraag wie van de Nederlandse vrouwen de stoutste en zoutste is, is een kleine observatie over de kleding der Nederlandse vrome meisjes rond 1800 wellicht heilzaam. Paulus Strick van Linschoten, een man die zowel de Nederlandse als een Duitse nationaliteit had, schrijft in 1817, in een terugblik op zijn verblijf in Nederland rond 1800:

‘De kleeding der zoogenaamde vrome zusjes is bijzonder merkwaardig en belagchelijk. Zij rijgen haar lijf zóó sterk en drukken de borst zóó in, dat deze ten laatste zoo plat wordt als eene plank. Hare mutsen, die even als bij de Joodsche vrouwen, het haar geheel en al moeten verbergen, liggen op de hoofden als waren zij er op vastgeplakt.’ (1)

Deze waarneming had ik, als ik die op tijd gevonden had, nog graag opgenomen in de recente editie Nijmeegse mutsen, een heruitgave van een satire uit 1792 over de mode. (2)

Paulus was in het algemeen niet zo in zijn sas met de Nederlandse gereformeerden. Hij raakte na de ramp met het kruitschip in Leiden (1807), door diverse dominees beschouwd als straf Gods voor Nederlandse progressiviteit, dan ook slaags met die heren, en werd zelfs oorzaak van een openbaar debat over kantianisme en religie. (3) Paulus over de Nederlandse cultuur rond 1805:

‘Nergens zijn er wel minder navolgers van Spinosa, dan in het land waar deeze grote wijsgeer het levenslicht aanschouwde, en zoo niet het geschreeuw van de Gereformeerde predikanten tegen eenen van Hemert, Kinker en eenige latere filozofen hen daarop opmerkzaam hadde gemaakt, zoude het grootste gedeelte der Hollanders naauwelijks weten, dat er een Kant, een Fichte, en eene kritische wijsbegeerte bestaan. En dan is deze laatste nog maar negatief bekend door den oorlog, welke de heilige paleologen haar aangedaan hebben.’ (4)

Om onze katernentellers en boekwetenschappers ook nog iets te doen te geven op deze dag, nog één ander citaat:

‘Geleerde boekhandelaars zijn er weinig meer. De tijden van de Elseviers en Wetsteins zijn voorbij, en ofschoon een Holtrop, Wild en Altheer, een Uylenbroek, Johannes Allart, Covens, Gartman, van Spaan, Immerzeel, van Kleef en nog eenige weinge anderen hier eene eervolle uitzondering maken, zoo zijn zij toch zeer dun gezaaid en eenige der genoemden reeds tot de eeuwige rust ingegaan.’ (5)


(1) [P.H.A.J. Strick van Linschoten] Herinneringen van den baron Strick van Linschoten. Naar het Hoogduitsch bewerkt door een staatsman. Tweede druk. Amsterdam 1857, p. 242.
(2) Nijmeegse mutsen. Een satire uit 1792. E.J.B. Schonck. De Bonheurs uit de mode. Heldendicht. Uitgegeven en toegelicht door André Hanou. Leuth, Astraea, 2006.
Deze uitgave, van E 18-zoveel, wordt de lezers/lezeressen portvrij toegezonden ad E 10, na een mailtje aan Herkauwer. Kom aan, meisjes, één keer minder naar Marlies Dekkers. U krijgt dan toch een massa hoedjes en wat al niet in huis, uit 1792.
(3) Meer hierover in mijn (nog te verschijnen) ‘De Ramp van Leiden: eigen schuld?’; in: Nederlands letterkundig Magazijn.
(4) Strick van Linschoten, a.w., p. 229.
(5) Strick van Linschoten, a.w., p. 233.