Petrus Burmannus (1668-1741), hoogleraar historiarum et politices te Utrecht (1), had in 1709 een probleem. Er was een klacht tegen hem ingediend door Dina van Spangen, wegens het bezwangeren van haar éénentwintigjarige dochter Dina, tijdens de Utrechtse kermisdagen, op 10 juli 1708. Dat zou gebeurd zijn toen hij Dina, een dienstmeisje uit Den Haag, genood had op een intiem etentje, in een speelhuis naast het zijne, op de Utrechtse Maliebaan. De Maliebaan is in het algemeen een locatie die in vele vroeger en latere toneelstukken niet zonder enig snuiven genoemd wordt. Hij zou voorgewend hebben dat hij een weduwnaar was [quod non] met twee bloedjes van kinderen, en op zoek naar een dienstmeisje. Dat laatste was beslist waar.
Zeer vele en zeer concrete details rond hun treffen worden opgegeven in de processtukken (2). Uiteraard lag alles volgens Burman geheel anders. Ik heb in dit geval geen intuïtie wie er gelijk had. Die Dina was op zijn minst onvoorzichtig; was ze ergens op uit? Ik ben echter geneigd te denken dat Burman tonnen boter op het hoofd gehad heeft. De afloop van het proces schijnt niemand bekend te zijn. Is de zaak afgekocht?
Het is echter niet de bedoeling van Herkauwer alle keurslijfjes, zware pekelzonden en wat al niet door te lichten. Dat is meer iets voor de biograaf van Burman. Het gaat erom u de tekst van de imaginaire bibliotheek van Burman, vermoedelijk eind 1709 verschenen, ter beschikking te stellen. Die bibliotheek (waarbij het huisraad van Burman) zit boordevol verwijzingen naar deze affaire. Zoals gezegd, er is tot nu toe slechts één exemplaar van deze fake-bibliotheek bekend.
Genoeg gepraat, want anders volgt ook ditmaal de tekst niet. In afleveringen dus deze bibliotheek; wellicht af en toe voorafgegaan door enkele opmerkingen.
(1) Zie G.W. Kernkamp, Pieter Burman, van 1696 tot 1715 hoogleeraar te Utrecht. Overdruk uit het Verslag van het Prov. Utr. Gen. van Kunsten en Wetenschappen, 1933) Utrecht 1933.
(2) Proces, Geventileert voor den Ed. Hove van Utrecht tusschen Dina van Spangen, Wed. van Jan van Woudenberg, als Moeder ende Mombersse over haare onmondige Dogter Dina van Woudenberg, impetranten in cas van defloratie, Contra den Heere ende mr. Petrus Burmannus, professor in de Academie alhier ged: Tot Rotterdam, Gedrukt by Hermanus Herts, [1709].
De titelpagina:
CATALOGUS
Van eenige raare, door veel moeyten by
een gezogte schoone
BOEKEN
EN
MANUSCRIPTEN;
Nevens verscheyde fraaye
RARITEYTEN,
Van den alomvermaarden en Hoog-geleerden
HEER PROFESSOR
PETRUS BURMANNUS.
Zullende op den 28 van Wynmaant deze jaars
by Executie verkocht worden.
Gedrukt voor de Koopers.
Van eenige raare, door veel moeyten by
een gezogte schoone
BOEKEN
EN
MANUSCRIPTEN;
Nevens verscheyde fraaye
RARITEYTEN,
Van den alomvermaarden en Hoog-geleerden
HEER PROFESSOR
PETRUS BURMANNUS.
Zullende op den 28 van Wynmaant deze jaars
by Executie verkocht worden.
Gedrukt voor de Koopers.
Hierna begint de eigenlijke catalogus begint, p. 3-23. Het eerste segment bevat drukwerk en manuscripten, soms werkelijk bestaand, soms imaginair:
CATALOGUS,
Van eenige raare, door veel moeyten by
een gezogte schoone
BOEKEN
EN
MANUSCRIPTEN.
Miscellanei.
Van eenige raare, door veel moeyten by
een gezogte schoone
BOEKEN
EN
MANUSCRIPTEN.
Miscellanei.
1. Pieter Aretijns dwalende Hoer, bekent onder den Titul van Uylespiegel op Noten.
2. De moetwillige Bootsgezel.
3. ’t Los en ongebonde Leven van veel Inwoonders van Jeverlant, met noten, door P.B.
4. Zeker geheim Schrift, inhoudende dat het zonden noch schanden is, meer als een Vrouw te beminnen.
5. Een Manuscript, ophalende zijn Heroique Daden omtrent het schenden en mishandelen van jonge Meisjens.
6. Ontdekking op wat manier hy, rentmeester zijnde, ’t buyten bedonge, als hy ’t een of ander placht te verhuuren, heeft ingevordert.
7. De Spaansche methode wegens ’t bekennen der Vrouwen.
8. Al de Werken van Uylespiegel, in een Fransche bant.
9. Een aardige Beschryving over de Melkvaatjens der Maagden en Vrouwen.
10. De Practijk der Gauwdieven.
11. Naaukeurige aanmerking dat imant eens banquerot moet speelen, zoo hy ryke Kinderen wil nalaten.
12. Den triumpheerenden Ondeugt naar ’t leven afgemaalt, met een Lofdicht, door P.B.
13. Eva Klonterbuiks nette Aanteekening, noopende de Discourssen, de welke in eenige amoureuze Conclusien met zeker 23 jarig Jongeling gepasseert zyn, als mede de redenen die haar tot den dronk gebracht hebben, nevens de kracht van ’t Vianische scherp.
14. ’t Kind van Weelden, of de Haagsche Lichtmis.
15. Een Tractaatjen, behelzende den dollen uitval tegen verscheyde Dames en jonge Juffrouwen, om dat ze hem ’t gezicht eenigsints belet hebben door ’t optrekken of sluyten van haar koetsglazen, als anderzints.
16. Een groote Bondel met verscheyde soorten van Pasquillen tot nadeel van Koningen, Overheden, Onderdanen, en goede Ingezetenen.
17. ’t Verhoert en Bacchant Leven van Jan Rap en zijn Maat.
18. De nuttigheid van ’t Hoerejagen, door P.B.
19. De Guit in zijn hart gesterkt, waar in omstandig aangetoont en met exempelen bewezen word, dat’er geen quaat, hoe groot het mag weezen, zonder Patroon of Voorstander is.
20. Sestienjarige Aanteekening wegens de Compassie van Meester Hans.
21. Een Tractaatjen, behelzende de Practijk om ymant mooy voor te komen en achter de rug met alle Schelmstukken te betigten.
22. Copye Authenticq van zeker Historie van eenige Straatschenders en Hoeredoppen, waar hy in zijn jeugt by verkeert heeft.
23. d’Openhartige Juffrouw, of d’ontdekte geveinsheit, 2 deelen.
24. ’t Bad der kruisnimphen en haare manieren, met kantteekeningen door P.B.
25. Koddige Beschryving van zeker mooy fraay Curieus, en zijn Spel.
26. De heymelijkheden van de Liefde en ’t Minnespel, door Aloisea Sigea van Toledo.
27. Jan Bonks kneepen in geraamt.
28. Een Tractaatje over ’t opdroogen der Natuur, met de Remedie om zulks, zoo veel doenlijk is, voor te komen.
29. De zindelijkheit omtrent het gebruyken der Vrouwen, met Noten, door P.B.
30. Verdichte achterklap, door den zelven voor goet gekeurt.
31. Een Ordonnantie, mede door den zelven ingestelt, waar alle Liefhebbers tot opbouw van haar vuyligheden, haar na moeten gedragen.
32. Lof van alle afdryvende kruyden en ’t gebruik van dien, door hem vermeerdert.
33. Verdeediging door den zelven, dat het geen quaat of ongepermitteert is, ymant dat kruit in aangebakke occasien in te geven.
34. Bewijs dat een eerlijk en regulier leven verachtelijk is.
35. Beschryving van ’t Plan en de Bataille tusschen hem en een zyner Colegaas.
36. Rozekrans der Maagdeschenders.
(wordt vervolgd)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten