woensdag 27 februari 2008

Spotcatalogus Burman (1709) 6

vrijdag 16 maart 2007

Parallel aan Herkauwers vermaning in de vorige aflevering over gegevens in de aanklacht te vinden, raadt hij de onderzoeker die nieuwgierig is naar al dan niet echte titels in deze catalogus, aan, eerst de paskwillen en toneelstukken rond deze zaak uit 1709 te lezen. Dan zal hij merken dat vele van die titels ook in deze catalogus voorkomen. Hij zal er vele van kunnen terugvinden, bijvoorbeeld in de convoluut UBL 1055 A 7. Een aantal daarvan komt natuurlijk niet eens voor in de Leidse catalogus.

Ik noem daaruit: De gewaande weuwenaar, [...] Blyspel waarvan tenminste drie verschillende stukken zijn verschenen (niet twee, zoals Te Winkel zegt), terwijl van het tweede stuk zelfs een vermeerderde druk verschenen is; Zielwekker, of deugdenspoor voor den Heere Petrus Burmannus; over des selfs Misval; Vroomaards ernstige aanspraak tot sijn buurman Ritsaard; Een Verzagtend Zalfje op de smertelijke VVonde van den Heer Pieter Burman; Lof-dicht, Op de Kindermakery van Pieter-buer. Voys: Van de Queezel. In dit laatste item vindt men ook nog andere gedichten; ik heb de indruk dat die ooit als zelfstandige uitgaafjes verschenen te zijn.

Die Zielwekker is misschien tevens een ondeugend grapje: want u weet natuurlijk dat in gewoon achttiende-eeuws taalgebruik ‘je ziel laten gaan’ betekent: een orgasme krijgen. Als er bij zo’n tekst een plaatje voorkomt, zie je meestal een opstijgende vogel.

(U mag u er zelf het hoofd over breken of het inderdaad iets betekent: die vliegende vogel op de titelplaat van de Julia, waar Eduard voor het eerst zijn Julia ziet).


(Vervolg)

86. ’t Portret van zekere Heer, die groot gebracht en rijk gemaakt is, door ’t opwisselen van Kleefze Stuyvers, waar zijn Vaar de Compagnie doorgaans mede betaalde: met deze inscriptie,
Dikmaals is my gezegt, als dat mijn trouwe Vader,
Veel winst genoten heeft, en dat meest al te gader
Door woeker met vals Geld, en der Soldaten bloed,
Zoo doende komt een Kind haast mak’lijk aan veel goed;
’t Is waar, daar is wat aan, maar wisten eens de Luyden
Dat ik het noodig heb, door dien ik nog op huyden
Veel schieten moet voor ’t Kind, ’t zy om de maand of drie,
Het geen ik heb gehad by kopere Marie!
87. Een zilvere Hairnaalt, door zeker Scholwijf in zijn Tuinhuisjen op de Rustbank verloren.
88. ’t Portret van zeker hoogmoedig en valshertig Doctor, die zijn Voorouders in eer en deugt, door Duifjens op Zolder, en een gekapte Raven, de kost op een eenvoudige wijs hebben gewonnen, met dit Versjen,
’t Fortuin heeft mij gediend, de trouw maakt my vermaard,
Ik ben schijnt van dat Volk, die hedendaags de Kaart,
En in de Spellen meest de overwinning krygen.
En [toch] wil ymand niets van mynen opkomst zwygen,
Maar roepen luidkeels uit, nu zit de Man eerst warm!
Doch door verbode winst en ’s Vaders krommen arm.
89. Een gebalsemde Schorpignon. in vorige tyden door hem, in de Buikbosschagie van zeker Kaatsmeesters Dochter, gevangen.
90. Een beschimmelde korst Broot, die zijn Vader uit het Leidsche Collegie mede gebracht, en in de Schatkist bewaart heeft, nu onlangs, als zijnde een heerlijk denkbeelt, tot groote vreugden gevonden.
91. Een Bullekop, met twee uitnemende Hoorns aan de enden vergult, door een van zijn goede bekenden in een witte houte geschuurde bak, ’s morgens voor dat hij zeker digniteit ontfong, aan hem gezonden, hebbende dit volgende Versjen voor t voorhooft staan:
Die slechts heeft de gunst der Goden,
Blijft gelukkig, zoo men ziet,
Al was ’t een eervergete snoode
Boef, tot Allemans verdriet.
92. Een zilver zak Orlogie, ’t geen hy Controlleur van de Zon heeft genoemt, door dien hy zich in zijn Hoere appoinctement daar meer op heeft verlaten, als op de waarheit.
93. ’t Afbeeltzel van zeker Jangattig en inhalend Tollenaar, met deze inscriptie:
Deez’ schijnd in ’t oog een Parel,
Doch is een valsche KAREL,
Ontaard van Moer en Vaar,
En in zijn doen onklaar,
In geen [onleesbaar] ook rechtzinnig,
Maar tegen ’t goed vinnig,
Het geen hy immers toond,
Die zijn Goed doenders hoond.
94. Eenige valsche Knoopdaalders voor de menagie.
95. Noch een goude Ring, met zeve valsche Steenen, waar hy een getrouwde Vrouw door zocht te deboucheren: zeggende, dat die Steenen fijn, en van veel waarden waren.
96. Een geborste en byna half uitgeloope Galblaas, zijnde t’zedert en jaar of twee deerlijk onder ’t Voeten getrap geweest.
97. Een looye Doos met brutaal of assurantie Spijs, met de compositie daar by, luydende als volgt:
Neemt een Ons zap van Oostershout, en drie Loot slechte Smout, dat door een gemengd, en te zamen zoo lang laten koken, tot dat het dik begint te worden, dan sestien droppelen Bloed van Draken, op den Borg van ’t Zuyland Eylant gevangen, daar onder gedaan, en zoo lang geroert, tot dat het kout is, dan driemaal daags daar een brok van ingezwolgen, geen gou zoo goet.
98. ’t Wapen van zeker substituts Rentmeester, met de explicatie daar op:
Voor eerst een groen Velt, met een Ezelin daar op, die twee kopere Melkemmers draagt, werdende door een Jongen voort gedreven, (verbeeldende de Perzoon,) boven den Helm een Wagen met Mest, waar een griep in steekt, met een Paart daar voor, ront en om het Schilt zijn Spaayen, Vlegels, Schoppen, Ploeg en zijn Gereetschap; Suy[p]bak, Zeyssen, en ’t geen verders tot een Bouwerye behoort, waar gevlochte Strooy door heen geslingert is, met twee afgebezigde Stalbezems daar onder aan, in plaats van goude Quasten.
99. Een Zaag aan weerkanten met dubbelde tanden: waar deze woorden op staan:
Ten tyde doe ik was aan een kant gezet,
Wierd ik noch wel gebruikt, en deê niemand belet,
Nu ik te tandig ben, laat yder een my staan,
Zoo vrees ik zal ’t in ’t kort met Petrus ook noch gaan.
100. Een Luywagen, waar zeker Advocaat zijn Meit dikmaals mee afgeborstelt heeft, aan hem tot een Kamerscherm vereert.
101. Twee halve Doppen van een groote Hoet, in welk een gedrilt gaatjen, van zijn Vader nagelaten, met een recommandatie, dat hy die zomtijts voor zijn verhoert en wilt gezicht zoude laten binden, om ’t daar door, was ’t mogelijk, te teugelen, doch nooit gebruikt.
102. Een geslepe flesjen met Cevetpoeder van Vrouwen en Meisjens, die verscheyde malen onder zijn Maauwen zijn geweest, die daar altemets wat van inneemt, die is haar Maagdom zoo wel bewaart, of ze op een doorslag te luchten lag.
103. Eenige Chineesche naakte Postuuren, verbeeldende de Vleeshal na de nieuwste mode.
104. Een opgezet zwart-bont Kalkhoentjen, tot een eeuwige Memorie, ’t geen, levendig zijnde, dikmaals voor zijn plaizier is geweest.
105. Een Weegschaal vant alderhande listige, bedriegchelyke en onkuysche Venus-praktijkjes, mitsgaders van eenige andere quade zaken.
106. Een Lessenaar, Spiegel, Boekekast, daar gekke Fransjen tegen gevochten, en het Mes: daar hy de Meyt mee uit het huis gedreven heeft, doen hy den Galant had gelezen, willende dien doorluchtigen Helt in dapperheyt, en in des zelfs bravoures de loef afsteken.
107. ’t Portret van een hupsch Jongman, die door den dronk, in de Vleeshal een ongelukkige houw over zijn kop gekregen heeft: waar deze woorden om staan,
Neemt vry, wie het zy,
Een spiegel aan my,
Die zeer is verlegen;
Hy spiegeld hem zacht,
Die om my eens lacht,
En gaat beet’re wegen:
Maar Piet lacht al meê,
Ja dat doet me weê,
Om zijn ergerlijk leven,
Neemt hy haast geen walg,
’t Is smout aan de galg,
Voor boter gewreven.

(wordt vervolgd)

Geen opmerkingen: