woensdag 27 februari 2008

Spotcatalogus Burman (1709) 5

donderdag 15 maart 2007

Diegene die geneigd is van alles uit deze catalogus op werkelijkheidswaarde of symbolische waarde te onderzoeken, raad ik aan eerst de processtukken, althans de aanklacht (zie de eerste aflevering van deze reeks), te lezen. Daar vindt men allerlei details die een groot aantal hier opgenomen nummers verhelderen.

Zo kon men in de voorgaande aflevering vermeld zien:

145. ’t Ontzielde Rijstenbrijsmutsjen aan de Kapstok, Dinaas gelegentheit van hairtjen tot hairtjen ontledende

Voordat die onderzoeker met rode oortjes overgaat tot freudiaanse analyses, is het zinvol te weten dat volgens Dina, toen Petrus aanstalten maakte tot het seksuele spel, deze eerst zijn pruik af-, en vervolgens een witgestikt mutsje opzette. Dat laatste mutsje wordt in de literatuur van de tijdgenoten die zich met deze affaire bemoeien steeds een rijstebrijmutsje genoemd.

Het kan goed zijn dat ze dat opzettelijk doen, omdat ...

Het kan ook zijn dat zo’n mutsje altijd een rijstebrijmutsje heette.

Hetgeen weer nieuwe vragen oproept: beschouwde men het als onzedelijk sex te hebben zonder muts of hoofdbedekking? Was dat zoiets als de eigenaardige gewoonte van dames, tot ver in de twintigste eeuw, bij elkaar op bezoek te gaan en thee te drinken (binnenshuis), zonder hun hoofddeksel af te zetten?

Herkauwer hoopt hiermee prof. dr. Aafke Eier enig hoofdbreken te bezorgen. Mogelijk heeft die het echter veel te druk met een, belangrijker, metaprobleem: de constructie van het beeld van de vrouw in de literatuur van Jakoetië en Vuurland.


(Vervolg)

38. ’t Model van een Vlooy, aan een goud Kettingje, op zeker Kermis Woensdag, ten huyze van kopere Marie, door Dina gevangen.
39. De kleinste helft van Dinaas Rijgveter.
40. Een geboent eyke Kisjen met verscheyde Galanteryen.
41. De Maagdommen van blanke Barbar, Pieternel Paaschen, zwarte Anne, Aal Slingerh... en Door de Hoer, leggende tusschen zyde Watten, in een schiltpadde Doosjen.
42. Een dubbelde Waayer, beschildert met eeenige naakte Beeltjens in verfoeyelyke Actien.
43. Een koper vergult Ringetjen, eertijds van Cleopatra gedragen, onlangs in zeker Vlees-battaille van ymant ontfutzelt.
44. Een Tabaks-doos, voor zeker Romein geëtst, verbeeldende de schrikkelyke nieusgierigheit van Nero.
45. Een rare Italiaansche Tabaks-pijp met Leden.
46. Noch een Tabaks-pijp, waar hij op zijn Nest leggende, verscheyde maalen uit heeft gerookt.
47. Noch een Bootsgezelletjen, om by ’t Verkeer-bort daar uit te rooken.
48. Een drollig Tintel-tonnetje met goed gebrande Tintel van Katrijntjens hembdt.
49. Een Vierslag, nagelaten van den achtkantigen Boer.
50. Vijf byzondere Vier-steenen, uit den Boedel van Abbe de Guit gekomen.
51. Een Noteboom Verkeerbort, met alle zoorten van Dobbelsteeenen.
52. Twee Busjens of Voorntjens van zijn eyge reedzel.
53. Twee kopere Blakertjes, door kopere Willem gemaakt.
54. Een Tabaks Comfoortjen, door den zelven.
55. Een entje Kaars, onlangs overgeschoten, toen ’er een borrel in de Wacht kwam.
56. Eenige Spullen geschilderde Kaarten, veroonende alderhande ergerlyke Geschiedenissen.
57. Een Uylebort, zijnde het tijd-verdrijf van Fransjen en zijn Broer.
58. Als mede een Houte-paart, daar zy haar Lant-goederen zomtijts mee hebben omgereden.
59. Een bondel Touw, waar eenige knechts, in plaats van Paarden, aan getrokken hebben, toen ze zeker Zilversmit, vol zijnde, met een Koets t’huis brachten.
60. Een kopere verzilverde Bodem van een zilvere Beker, door dito Zilversmit heymelijk uit de Gilde-kist genomen, en aan hem vereert.
61. Als mede een blaauwe Voorschoot, die eenige Vrouwluyden hem, (op een schandelyke wyze op zeker Stoep, met de Onderdeur open, dronken vindende zitten) hadden voorgebonden.
62. Den Scepter van Nero, zeer bequaam om Trommelstokken voor de winderige Sergeant van te maken.
63. Een half douzijn Italiaansche Trekworteltjens, heel dienstig voor ouwe Hoeren.
64. Een Quispedoortjen, door een vermaart Pokmeester aan hem in zijn ziekte vereert.
65. Een curieuse gedraayde Doos vol gewyde Asch, van eeenig verbrant hout, waar zijn Conscientie door is afgeschroeit.
66. Een klein Molentje met drie wieken, waayende met veel winden, waar hy hem dikmaals by vergeleken heeft.
67. Een modieuse Blaasbalk, gebruikt wordende, om ’t vuur van tweedragt in den brant te houden.
68. Een groote Berkemaayer, waar hy veeltijds den ondergang van eenige eerlyke en goede Ingezetenen mede gedronken heeft.
69. Drie gebalzemde Addertongen, in een lang, met fluweel bekleet, doosjen, waar op geschreven staat: ‘deze halen geenzints by my’.
70. Een Bouteille met water, door veel moeyten en yver uit de Bron der vergetelheit vergadert.
71. Een uitnemende schoone Boog, met een koker vol fenynige Pylen, waar hy verscheyde welmeenende Menschen mede gequetst heeft.
72. Een koppel Pistolen, met geheyme Vuursloten, by niemant als by hem bekent.
73. Een kromme Verraders Pook.
74. Een vergiftige Lans, met dit devijs: ‘Ik verfoey de Oprechten’.
75. Een Schilderijtjen, waar hy zelfs in uitgeschildert staat, met zij linker Voet op de gront, en met zijn rechter op de Onnoozelheit, hebbende in zijn linker Hant een Slang, en in zijn rechter een vloeyende Pen, verbeeldende zijn verbittering tegen de goede zaak: met deze inscriptie,
Ik zal, zoo lang ik leef,
’t Geheyligd goed vertreden,
’k Vrees geen Opperhoofd, ’k geef
Om Wetten noch om reden.
76. Een Mantel van Lamsvelletjens, met Wolvehuyden gevoedert, t’zedert den 19. Maart 1702. niet meer gedragen.
77. ’t Model van de Conscientie van zeker Zilversmit, die door de hitte van de Smit is toegeschroeit.
78. Eenige Momaangezigten, om zich onbekent te maken.
79. Een lege Goutbeurs, met een Briefjen daar in, behelzende deze woorden,
Ben ik niet een grooten Beest?
Het Goud, hier uit genomen,
Is voor Hoer en Snoer geweest,
Doch ’t kan ’er weêr in komen,
Als ik dat Volk verlaat;
Maar yder zegt, helacie!
Teekens van ’t vervloekte quaat
Staan in dien Bul zijn facie.
80. Een paar Schoenen, met zolen van hoede vilten, om ymant te bespringen, zonder gehoord te worden.
81. Een bosjen gekroest Hair, in een vergult Papiertjen, uit de zoo genoemde Baart van van Banken getrokken.
82. Twee stukken van een Exclavasie, verovert toen hy zeker Dame op een oneerlyke wijs aanranden.
83. Een paar houte Stelten, die hy veeltijts gebruikt heeft, om Schimp- en Lasterschriften aan te plakken.
84. Een flesjen met geveinsde rouwtranen, gestort over zeker gastmaal, uit zijn Neusdoek gewrongen.
85. Noch een verzegelt Flesjen, met een zilver schroefjen, met Maagdewater van zijn Huisvrouw, na de geboorten van een onechte Zoon verzamelt.

(wordt vervolgd)

Geen opmerkingen: