zaterdag 1 maart 2008

Mode (1772) (1)

woensdag 5 september 2007


Wegens de editie van het Nijmeegse mutsenepos van Schonck uit 1792, De Bonheurs uit de mode (heruitgave: 2006) raakte Herkauwer geïnteresseerd in neusdoeken, pommades, hakjes en méér dergelijke uiterst belangrijke zaken.

Het is hier dikwijls uiterst moeilijk het naadje van de kous te weten te komen.

Dat verraste hem eigenlijk. De oorzaak is echter de gebruikelijke: degelijke studies op dit terrein zijn schaars. De weinige, welwillende, informantes die iets weten van de mode in de lange achttiende eeuw vallen in grote lijnen, hoor!) in twee groepen uiteen:

- nijvere naspeursters van bijvoorbeeld de lonen van naaisters; of van advertenties voor galanteriewinkels, ‘Franse’ winkels’ enz.
- meisjes en vrouwen die er ALLES van weten maar zich in feite baseren op schilderijen uit de Renaissance (‘Nou, de vrouw van burgemeester Six droeg toch wel degelijk die lapjes en lobjes? Ja toch?’) en/of uit Parijs geimporteerde modeplaten van rond, zeg, 1780.

Dat schiet niet erg op. Ook gelooft men Herkauwer nooit als hij zegt dat vrouwen ten tijde van Schimmelpenninck soms doorzichtige jurkjes droegen, of dat... Tja, de culturele invloed van Da Costa reikt ook vandaag de dag nog zeer ver.

Een week geleden kwamen de Naamlooziana van 1772 even aan de orde.

Nummer 23 van dat blad gaat geheel over de mode. Herkauwer vindt het aardig die overigens tamelijk vulgaire tekst onder uw aandacht te brengen. Hij denkt dat hier wat leerzaams te vinden is.

Kijkt u desondanks een beetje uit - want dit blad is een weekblad. Als zodanig heeft het haast verplicht een ‘spectatoriaal’ element en moet het waarschuwen tegen verval van zeden; welk verval natuurlijk bijna altijd veroorzaakt is door goddelozen van over de grens. Alleen onervaren lieden nemen dat soort culturele constructies voor waarheid aan.

Ook hier is het de vraag of al die modepopjes die ons als het ware in een lanterne magique gepresenteerd worden, wel echt ronddrentelden op Herengracht of Lange Voorhout. De schrijver gebruikt, p. 297, vermoedelijk per ongeluk het begrip ‘plaat’. Had hij dus toch een boek of tijdschrift met platen uit Parijs voor zich liggen?

Voorzichtig dus. Maar toch lijken de Naamlooziana hier en daar een kijkje te geven op (een deel van) de realiteit. Vandaag alleen enkele inleidende regels.


[ 289] eene bespiegelende Dissertatie, op het divertissant voorstel:
Wat is de Mooden?

Héden den vyfden Maandag in Leeuwenmaand.

Is ’t wel een wonder dat een man,
Het in dees tyd niet houden kan?
Wanneer men overdenkt,
Dat de MOODE hunner vrouwe,
Om slegts haar KAPSELS te onderhouwen,
Zoo roekeloos het geld doorbrengt.

B. Al de Heeren reets by elkander! en ik de laatste! zulks had ik, om de waarheit te zeggen, niet gedagt, alzoo het nog vroeg is; dog ik denk dat de Heeren meede al met een weinigje nieuwsgierigheid zyn behebt.

A. Om Ued. de waarheid te zeggen [290] Broeder B., zoo is hetzelve zoo mis niet gegist.
D. Ik ben wel deegelyk nieusgierig, en hoop dat gy toond, een weinigje meer medelyden met de arme MOODEN te hebben, want als de lieden tot dat gevoelen overgingen, het geen de Heer President, boven onze hedendaagsche heeft gelieve te prefereeren, dan sturven de Francoize van honger, en de Fransche kraamers en Winkeldogters, mogten voor het overschot van haar Kapietaal, wel ieder een Lollepotje koopen, en op den Boer gaan, en zeggen Ued. Serviteur Mons. Boer, een Booterham of ik vreet myn kameraat op.

B. Als Ued. denkt Broeder D., dat ik de MOODE zou ontzien, dan zyt gy de plank mis.

D. Gaat u’ gang Vriend, maar ontziet myn dragt wat, kyk, ik hou byzonder van zulke menschen, die al weeten zy wat van myn, zoo poliet zyn, om ’t my niet in de neus te vryven, want ik geloof het zal myn beurd ook worden.

(wordt vervolgd)

Geen opmerkingen: