dinsdag 11 september 2007
doch dit Kapsel [de Dormeuse. H.] hebben de eerste Dames van rang afgestaan aan Burger Vrouwtjes, Fransche Winkel Dogters, Naistertjes, onder de hand Mutsemaaksters &c. &c. uit dit Musje steeken Mysjes met zwarte bekjes en spitze gezigte uit als de punt van een Camoesde Schoen die versleeten is, uit het zakgat van een witte Satyne Rok. Geeft wel agt op Madam a la petit Coeur, haar Kapsel zit haar zo strak over het hoofd, als een Huzaaren Broek; twee vleugeltjes, in de navolging van Mercurius, zyn Helm met een Agret in ’t midden, is zy wat dik van wangen, gelykt zy byzonder veel met haar moisjes op ’t gezigt na een Ketel-Koek met Krente, daar de Zak van geborste is; Juffrouw a la Villageoise, heeft een toepet zo breed, dat ’er een leger Pigmeene malkander slag op kunne leeveren, van agter is haar hoofd als een Vaatedoek die in malkander is gefrommeld, daar een party veel couleuriege Linten by afhangen. Geeft nu wel agt op Madam a la Jamaishu, als zy wel gekapt is; dan is haar gezigt op ’t oog af, een Engelsche myl lang[;] de grootste Bloemist, kan kwaalyk zo veel bloemen in een Jaar teelen, dat hy haar een half jaar met levendige bloem zou kunne onderhouden. Juffrouw a la grece, is persies het model [301] van een Wyfjes duit, uitgezeid dat zy mede bloemen op haar hoofd heeft, en een Kettingje om haar hals als een Rooms paternoster; is zy wat vol van weezen, maakt zy het heerlykst figuur van een koekepot die overrryst: maar hier moet men op staröogen, wie verliefd niet op Madam a la Engelese, met haar cierlyke Hoedje op het hoofd, rondsom geciert met kant en bloemen, daar zelfs een Roozeboom boven op schynt te wasschen, haar Kapsel is zo volmaakt bevallig, dat het zonde is, dat die Daame niet word geëmploijeerd by een Kwakzalver, zy zou vry wat beeter parade maaken, als de oude Mevrouw a l’Antique, daar geen hair breed onderscheid in is tusschen haar en een oude Jood, die rooziege tandpyn heeft, en niet doet als roepe, ô wai, ô wai, en vervolgens een witte Vaatedoek uit de Zaturdagsche wasch om zyn hoofd heeft gedaan, en met die Opschik meent zy reikelyk zo mooi te zyn, als de Gouvernanten a la Douairiere. Ik hou vol, dat de alderstemmigste Philosooph haar niet kan aanzien, of hy moet laggen dat hem ’t warme water tot de pypen van de Broek uit loopt, want wie kan stemmig zien, als hy een bejaarde Daame ziet, die de tip van haar Muts tot halfweegen haar Neus hangt, op de wys als een Geestelyk Klopje, en wil quaasi zedig schynen, daar zy alles is, behalve dat, want [302] zy bouwt het Speelhuis op de Kerk, en zet over haar Tipmuts een zwierig Kapsel, dat zo cierlyk staat als een Schoensmeerder, die eerst een Slaapmuts op heeft, daar over een Hoed, en dan een drie couleurde Paruik daar de mot in is, vervolgens ’t loof van een bos Hoornsche of Leidsche Wortelen boven op, welke groente zo veel verstrekt, als ’t Tuilke dat Madam op ’t hoofd heeft:
(wordt vervolgd)
zaterdag 1 maart 2008
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten