zondag 2 maart 2008

Schouwburg der smousen (4) (slot)

donderdag 27 september 2007

Myn Bestek zou zo min uytkomen als het Schuldboek van Scheele Kees, indien ik alle de disrepectieve Persoonagien zou willen afschetsen, en derzelver Gebaarden en Rollen herhaalen, in myn papiere Echo des weerelds. Alleenlyk zal ik zeggen, Dat de schoone Margriet zeer natuurlyk gerepresenteert wiert door de Zoon van den Koning Lypje, genaamt O vroom, een jong Heerschap, die ’s Middags St. Lucas nadraaft met een Kladschilders Borstel, die ’s Middags een Juwelier is in buygzaame Bergkristalle Diamanten, en die des ’s Avonds een Akteur verbeelt, trots den roodgehielde Aary van Til, of den snuggere Faviaan der Padden.

Inzonderheyt mag ik niet verzwygen, Dat den vroome O vroom de schoone Margriet verbeelde in die postpapiere rooskoleure Tabbaert, waar in een zeker Juffertje wel eer voor het Hoertje speelde in het Tonneelspel van de Lichtmis; en ik durf niet meer overslaan, Dat den Hoedemaaker Looser Kladder die voor Fredrik ’s Konings Neef scheep kwam, gestadig op de planke Vloer van het Tonneel speculeerde, waar uyt de Toekykers gisten, Dat hy of een Speldezoeker, of een Tuynder in sterke Kors moest zyn, by Broodwinning.

‘Die O vroom is op myn Conscientie een van de aardigste Jongens die ooit een Hoogduytsche Moeder ter weereld brogt,’ (zey een lange Jood, die meer Bont om een trype Muts had, als ’er vereyscht wort tot het dekkleed van een Poolsche Slee,) ‘en by G**!’ (vervolgde hy) ‘ik zal die zelve Opvoeding besteeden aan myn oudste Kind, want de Koopmanschap van de Feylen wort bedur[183]ven door de meenigte.’ ‘Ja een goede Opvoeding is beter als een groote Beleening,’ (repliceerde een gryze Smoussin, die gecoifeert was met een Point de Venise Kornetmuts van het jaar van Twee en dertig) ‘en daarom breng ik myn twee Dochters Mirjam en Hanna op als een paar Hof-freuwlens. Daar is Sarah en Rachel, die laaten ’t hoofd hangen als verwelkte Pinxterbloemen, die durven niet eens Bou zeggen tegen een Gans, en die hebben geen Confidentie genoeg om een Minuyt op een Minnaars Knie te zitten, daar myn Kinders op haar Elleboogen zouden durven danssen, zonder eens te verblikken of te verbloozen.’

‘Ik dank myn Gestarnte’ (sprak een getrouwde Smous in vertrouwen tegens zyn Schoonmoeder, die een paar Blikken droeg als een paar brandende Komeeten) ‘dat myn Vrouw Susa zo vruchtbaar is als ik zou konnen wenschen. Over het eerste Kind droeg zy maar ses Maanden, doch zy repareerde die fout in het tweede, want zy liep daar mee twaalf Maanden, en Moeder Middernacht de Vroedvrouw gaf daar van een goede Reden na myn Bevatting; Want (zey zy) wanneer een Vrouw drie Maanden te kort schiet in de tyd van haar groot gaan van Kinde, dan bekomt zy dat weerom in het tweede Kind. Volgens den Regel nu van Additie, zo men twaalf voegt by ses, maakt dat te zamen achttien, en gelykje weet dat is de volle tyd voor twee Kinders.’

Op die voet rolden de Askalonische Discoursen, in ieder Tusschenpoos van het Tonneelspel van ’t Veranderlyk Geval, en zonder Moses die voor Mengo speelde, en genoegzaam myn gantsche Aandacht besloeg, als die beter de Rol van een Zot verbeelde, dan meenig Wysgeer die van een verstandig Man nabootst, en volgens de hedensdaagsche Trant, de Verdienstige Natuur verzelde met de onwillige Armoede, zou ik een grooter Getal van die deftige Dialogues van buyten geleert hebben.

Tegens dat de Klugt zou beginnen, ley ik toe om te decampeeren met een stille Trommel, (dat trekt sterk op het Baronieren) dewyl ik de Hebreeuwsche lucht, die de warme Smousse Juffers exhaleerden, niet langer kon weerstaan, zonder my bloot te stellen voor een onmydelyk Leevensgevaar. Ik greep dan de Gelegentheyt by ’t Haair, van het Geklop van een party ongeduldige Smoussen en Smoussinnen, die zo heet waren om in de Loots-Komedie in te dringen, gelyk als de meeste jonge Heeren en Juf[184]fers, graag zyn, om door te booren tot in het binnenste van het Beterhuis des Huwelykx, zonder eens te letten op die Leyders, die zo gaarn die kuische Boeyen, die hun tot de Woordhouding verbinden, zouden willen verbreeken.

Ik wiert dan op vrye voeten gestelt in die Disorder, en na dat ik op ’s Heeren Straaten myn Adem zeven en zevenwerf had herhaalt, protesteerde ik plegtiglyk; ‘Dat het min moeyelyk zou zyn aan een verstandig Man, om het Marmer te polysten met zyn Nagels, om een Aambeelt te kraaken met zyn Tanden, om een Oostindische Reys te doen, zonder Eeten of Drinken, en om van het Y na Jerusalem te loopen, zonder eens te Pleysteren, dan zig voor de tweedemaal te exponeeren aan de doodelyke Vertooning van een Smousse Blyspel.’

Geen opmerkingen: