Posts tonen met het label joden. Alle posts tonen
Posts tonen met het label joden. Alle posts tonen

maandag 3 maart 2008

Joden en Felix Meritis (2)

dinsdag 8 januari 2008

vervolg

‘MIJNHEER DE REDACTEUR!

Daar mijn Vader, zoo niet een der oprichters, ten minsten een der eerste werkende effective Leden der Maatschappij Felix Meritis, te Amsterdam, geweest is, en ik insgelijks Lid van deze Maatschappij geweest ben, kan ik niet nalaten, eene korte verdediging derzelve op mij te nemen tegen het antwoord, in UEd. nommer van den 17 November ll., op den brief van Jan Tolerant geplaatst, te meer, daar de uitdrukking, in UEd. nommer van den 24 dezer voorkomende, dat Ued., van onbekende en buiten Amsterdam wonende lieden, niets desaangaande zult aannemen, of het moest ter verdediging van FELIX MERITIS, mij, als geboren Amsterdammer, en bij UEd. niet onbekend, eenig regt geeft, om een woord over dit onderwerp in het midden te brengen.
Dat de verdienstelijke Dichter Klijn Barendsz., op Dingsdag, den 6 November, de Maatschappij beschouwd hebbe als een gedenkteeken van vrijheid en verlichting laat ik blijven; maar dat de eerste oprigters dier Maatschappij juist zoo veel gedacht hebben aan vrijheid en verlichting als aan de verbetering van den zedelijken toestand der Joden, daarvoor sta ik borg. Alle deze hoog dragende woorden waren, in den jare 1777, nog niet sterk in de mode. Het mij zeer wel bekende doel van de oprigters van de Maatschappij was geen ander dan bevordering van Kunsten en Wetenschappen, hetwelk dan ook de primitieve indeeling derzelve in departementen van Teeken-, Natuur- en Letterkunde, Koophandel en Muzijk ten allerduidelijksten bewijst, het bijdoel, het rooken van een vriendschappelijk pijpje, en het houden van een vrienden praatje misschien, niet medegerekend. Wat nu zouden, in den jare 1777, de Joden in eene dergelijke Maatschappij verrigt hebben? Daar bestond destijds in de geheele stad Amsterdam, met hare bevolking van omtrent 25,000 Joden, ik durf bijna zeggen, niet één éénige Jood, die niet alleen eenig nuttig bedrijf of ambacht uitoefende of uitoefenen mogt, maar ook niet een, die zich, de Operisten in den Pekelharings-gang, eenige Tandmeesters en ettelijke Cachetten-snijders uitgezonderd, op eenige vrije kunst of wetenschap toelegde. Daarenboven, hadden de Amsterdamsche Joden (van die in andere groote wereldsteden zal ik niet spreken, omdat ik daarvan niets weet) destijds de eigenschap van zich bijzonder gaarne in Christen-gezelschappen en bij Christenen in te dringen en elkander te helpen indringen; zoo dat een collegie, waarvan ik zelf lid ben geweest, en dat in den aanvang enkel uit Christennen zamengesteld was, maar waarin men, door meer verlichte denkbeelden geleid, slechts één Jood had toegelaten, daar deze een tweede, deze weder een derde introduceerde, enz., vóór dat er een jaar verlopen was, bijna geheel uit Joden bestond.
Deze eigenschap nu was bij de stichters der Maatschappij, in den jare 1777, overbekend en daarom schroomden zij (alles in den jare 1777 wel te verstaan) Joden in hun midden toe te laten, en met regt, wilden zij hunne instelling, in plaats van wetenschappelijk, niet geheel financieel zien worden, en de groote Jeronimus de Bosch zou, in zijn uitmuntend vers, geplaatst in de groote Entrée-kamer der Maatschappij, in plaats van den regel:
Dumque Cumoenarum resonant haec atria canta,
hebben mogen stellen:
Dumque Judaeorum resonant haec atria quaesta.
Want dat naderhand, onder een meer verlicht Bestuur, de Israëlieten vermaarde Advokaten, goede Letterkundigen, kunstige Teekenaars, Plaatsnijders en Muzijkmeesters, enz., enz., zouden opleveren, konden de oprigters der Maatschappij, in 1777, zekerlijk niet droomen. Waarom, sedert dien tijd, de wetten der Maatschappij niet veranderd zijn, waarom de Leden het tempora mutantur et nos mutamur in illis niet in het oog gehouden hebben, is eene vraag, welke beter door een tegenwoordig Lid der Maatschappij zou kunnen beantwoord worden; ik mag alleen aanmerken, dat de inwendige regeringsvorm der Maatschappij zuiver republikeinsch is, en dat, ware de zaak nuttig of uitvoerlijk geweest, een der 400 Leden, waaruit de Maatschappij sedert een dertigtal jaren bestaat, dezelve misschien wel voorgedragen en doorgedrongen zou hebben.
Een oud Lid van Felix Meritis.’

Op 19 december 1827 merkt de redactie van het blad op, over deze zaak vier brieven ontvangen te hebben. Drie ervan zijn onbenullig. De vierde is goed en zal later opgenomen worden. -

Eerlijk gezegd: Herkauwer heeft nooit meer naar die vierde brief gezocht.

Joden en Felix Meritis (1)

maandag 7 januari 2008

In 1798 mislukte een poging van vooruitstrevenden, joden in Felix Meritis toe te laten. Die zaak is duidelijk geworden in het Kinker-onderzoek van de laatste decennia. (1) Joden kregen pas toegang in de tweede helft van de negentiende eeuw.

Herkauwer ontdekte recent dat die kwestie in 1827 nog steeds een staartje kon krijgen, en aanleiding worden tot een pennestrijd zelfs buiten Felix.

In het Algemeen nieuws- en advertentie-blad van 16 november 1827 kan men een ingezonden brief vinden van Jan Tolerant, gedateerd Utrecht 13 november 1827.

Jan Tolerant reageert op berichten in kranten over het 25-jarig jubileum van Felix, en de speech van Barend Klijn Barendsz daarbij. Die spreker had het over Felix als ‘een gedenkteeken van vrijheid en verlichting’.

Dit nu schoot Jan Tolerant in het verkeerde keelgat. Dat mocht waar zijn zo rond 1795, vond hij; maar nu de verlichting toegenomen was, en men in allerlei genootschappen de andersdenkenden niet langer schuwde, nu lag dat wat anders!

‘Hoe armzalig ziet het er dan met Felix Meritis uit, daar hare verlichting zoo naauw door de palen des vooroordeels beperkt wordt, als de opinien der menschen dezelve voorschrijft. Ja, Felix Meritis, eene maatschappij bepaaldelijk voor verdiensten en verlichting bestemd, weigert verdienstelijke, brave mannen, wier wandel onbevlekt en eerbaar is, als leden in haren kring te ontvangen: alléén omdat: ZIJ JODEN ZIJN.’

En ironisch merkt hij op:

‘Kom! da C., laat uwe uitgedoofde dichtader ontspringen, en zing uw meesters: op! Mannen, op! Roep triomf; daar uwe geliefde leer van onverdraagzaamheid door uwe vijanden zelven voortgeplant en uitgebreid wordt!!’

In een nawoord zegt de redactie: de klacht lijkt billijk. In Amsterdam wordt een jood uit de tempel van vrijheid en verlichting geweerd! Amsterdammers, doe er wat aan!

Heel curieus is daarop een reactie in genoemd blad, op 1 december, door ‘Een oud lid van Felix Meritis’. Deze legt uit waarom al in het begin, in 1777, joden in Felix geweigerd werden. Deze bijzondere tekst met zijn bijzondere argumentatie in de volgende aflevering.

(1) Het is kort opnieuw beschreven in het recente Spiegel van Amsterdam. Geschiedenis van Felix Meritis (Amsterdam 2007) door Loes Gompes en Merel Ligtelijn. Aldaar p. 60-63.


In 1798 mislukte een poging van vooruitstrevenden, joden in Felix Meritis toe te laten. Die zaak is duidelijk geworden in het Kinker-onderzoek van de laatste decennia. (1) Joden kregen pas toegang in de tweede helft van de negentiende eeuw.

Herkauwer ontdekte recent dat die kwestie in 1827 nog steeds een staartje kon krijgen, en aanleiding worden tot een pennestrijd zelfs buiten Felix.

In het Algemeen nieuws- en advertentie-blad van 16 november 1827 kan men een ingezonden brief vinden van Jan Tolerant, gedateerd Utrecht 13 november 1827.

Jan Tolerant reageert op berichten in kranten over het 25-jarig jubileum van Felix, en de speech van Barend Klijn Barendsz daarbij. Die spreker had het over Felix als ‘een gedenkteeken van vrijheid en verlichting’.

Dit nu schoot Jan Tolerant in het verkeerde keelgat. Dat mocht waar zijn zo rond 1795, vond hij; maar nu de verlichting toegenomen was, en men in allerlei genootschappen de andersdenkenden niet langer schuwde, nu lag dat wat anders!

‘Hoe armzalig ziet het er dan met Felix Meritis uit, daar hare verlichting zoo naauw door de palen des vooroordeels beperkt wordt, als de opinien der menschen dezelve voorschrijft. Ja, Felix Meritis, eene maatschappij bepaaldelijk voor verdiensten en verlichting bestemd, weigert verdienstelijke, brave mannen, wier wandel onbevlekt en eerbaar is, als leden in haren kring te ontvangen: alléén omdat: ZIJ JODEN ZIJN.’

En ironisch merkt hij op:

‘Kom! da C., laat uwe uitgedoofde dichtader ontspringen, en zing uw meesters: op! Mannen, op! Roep triomf; daar uwe geliefde leer van onverdraagzaamheid door uwe vijanden zelven voortgeplant en uitgebreid wordt!!’

In een nawoord zegt de redactie: de klacht lijkt billijk. In Amsterdam wordt een jood uit de tempel van vrijheid en verlichting geweerd! Amsterdammers, doe er wat aan!

Heel curieus is daarop een reactie in genoemd blad, op 1 december, door ‘Een oud lid van Felix Meritis’. Deze legt uit waarom al in het begin, in 1777, joden in Felix geweigerd werden. Deze bijzondere tekst met zijn bijzondere argumentatie in de volgende aflevering.

(1) Het is kort opnieuw beschreven in het recente Spiegel van Amsterdam. Geschiedenis van Felix Meritis (Amsterdam 2007) door Loes Gompes en Merel Ligtelijn. Aldaar p. 60-63.

Joodsche Wandelaar (1792-1793)

woensdag 12 december 2007

Kunnen tussen 1787 en 1795 patriotse weekbladen verschijnen? Toch wel - als zij maar niet te geprononceerd hun standpunt uitdragen.

Zo’n blad is De Joodsche Wandelaar. Een weekblad Tot nut van ’t algemeen. Voorzover Herkauwer weet, bestaat er nog maar één exemplaar (UBL 478 B 24). Er verschenen 25 nummers, 3 december 1792-21 mei 1793; bij Herdingh en Du Mortier, te Leiden (volgens het colofon was het ook te koop bij Jan ten Brink te Amsterdam, ‘en verder alöm’).

Deze Wandelaar gaat heel voorzichtig te werk. Vanuit de optiek van de bekende joodse wandelaar die alles meegemaakt heeft en dus weet wanneer hij met waarheid te maken heeft, worden de gebeurtenissen in 1792-1793 besproken. Bij de eigenlijke nieuwsberichten valt echter bijvoorbeeld op: de aandacht voor de gevluchte patriotten in het zuiden. Zo leren we precies wanneer het Legion Etrangere van Hollandse emigranten in Antwerpen is aangekomen, en wanneer het vrijwilligers werft.

Hoe neutraal ook, wanneer er eenmaal echt oorlog is tussen de Fransen en ‘de stadhouder’ blijkt men zich in het Noorden af te vragen of dit blad wel kan blijven bestaan (er schijnt vooral in Amsterdam weerstand te zijn). De redactie neemt dus afscheid, met de zeer Nederlandse mededeling dat men vóór de Franse constitutie EN vóór Jezus is.

Er zit geen echt talent in dit blad. Wat wél opvalt is dat hier sprake is van bewuste propaganda. Het eerste nummer wordt voor niets verspreid. De Wandelaar is, per nummer in een andere setting (herberg, trekschuit, enz.), in gesprek met werkers en kleine burgers. Op p. 45 is sprake van ‘geringe buitenlieden’ voor wie deze gesprekken en nieuwsberichten bedoeld zijn.

He vermogen van het patriottisme voortdurend buiten eigen kring te treden vindt Herkauwer opvallend. Er zijn al vanaf 1780 heel wat patriotse bladen, bestemd voor bijvoorbeeld plattelanders en boeren.

Over deze tactiek, die men zou veronderstellen doorgaans te behoren bij een welgestructureerde partij met bewuste propaganda-technieken, heeft Herkauwer eigenlijk heel weinig gelezen.

Bij vele historici vindt men zelfs wel de mening dat alle patriotse ‘blaadjes’ (een term die grote onkunde verraadt over werking en functie van de periodieke pers) sowieso een historisch ongelukje zijn geweest. Vreemd. Soms denkt Herkauwer dat onze historici maar al te graag ons verleden steeds maar weer in hun geliefde poldermodel willen persen.

Omdat extremer (nu ja, extremer...) politieke ontboezemingen niet passen in hun vaderlandse keurslijf, weigeren zij te accepteren dat de Nederlandse maagd Vrijheid in het verleden soms meer weghad van Claudia Cardinale (met tenminste cup C) dan van de tuberculeuze Kate Moss.

zondag 2 maart 2008

Schouwburg der smousen (4) (slot)

donderdag 27 september 2007

Myn Bestek zou zo min uytkomen als het Schuldboek van Scheele Kees, indien ik alle de disrepectieve Persoonagien zou willen afschetsen, en derzelver Gebaarden en Rollen herhaalen, in myn papiere Echo des weerelds. Alleenlyk zal ik zeggen, Dat de schoone Margriet zeer natuurlyk gerepresenteert wiert door de Zoon van den Koning Lypje, genaamt O vroom, een jong Heerschap, die ’s Middags St. Lucas nadraaft met een Kladschilders Borstel, die ’s Middags een Juwelier is in buygzaame Bergkristalle Diamanten, en die des ’s Avonds een Akteur verbeelt, trots den roodgehielde Aary van Til, of den snuggere Faviaan der Padden.

Inzonderheyt mag ik niet verzwygen, Dat den vroome O vroom de schoone Margriet verbeelde in die postpapiere rooskoleure Tabbaert, waar in een zeker Juffertje wel eer voor het Hoertje speelde in het Tonneelspel van de Lichtmis; en ik durf niet meer overslaan, Dat den Hoedemaaker Looser Kladder die voor Fredrik ’s Konings Neef scheep kwam, gestadig op de planke Vloer van het Tonneel speculeerde, waar uyt de Toekykers gisten, Dat hy of een Speldezoeker, of een Tuynder in sterke Kors moest zyn, by Broodwinning.

‘Die O vroom is op myn Conscientie een van de aardigste Jongens die ooit een Hoogduytsche Moeder ter weereld brogt,’ (zey een lange Jood, die meer Bont om een trype Muts had, als ’er vereyscht wort tot het dekkleed van een Poolsche Slee,) ‘en by G**!’ (vervolgde hy) ‘ik zal die zelve Opvoeding besteeden aan myn oudste Kind, want de Koopmanschap van de Feylen wort bedur[183]ven door de meenigte.’ ‘Ja een goede Opvoeding is beter als een groote Beleening,’ (repliceerde een gryze Smoussin, die gecoifeert was met een Point de Venise Kornetmuts van het jaar van Twee en dertig) ‘en daarom breng ik myn twee Dochters Mirjam en Hanna op als een paar Hof-freuwlens. Daar is Sarah en Rachel, die laaten ’t hoofd hangen als verwelkte Pinxterbloemen, die durven niet eens Bou zeggen tegen een Gans, en die hebben geen Confidentie genoeg om een Minuyt op een Minnaars Knie te zitten, daar myn Kinders op haar Elleboogen zouden durven danssen, zonder eens te verblikken of te verbloozen.’

‘Ik dank myn Gestarnte’ (sprak een getrouwde Smous in vertrouwen tegens zyn Schoonmoeder, die een paar Blikken droeg als een paar brandende Komeeten) ‘dat myn Vrouw Susa zo vruchtbaar is als ik zou konnen wenschen. Over het eerste Kind droeg zy maar ses Maanden, doch zy repareerde die fout in het tweede, want zy liep daar mee twaalf Maanden, en Moeder Middernacht de Vroedvrouw gaf daar van een goede Reden na myn Bevatting; Want (zey zy) wanneer een Vrouw drie Maanden te kort schiet in de tyd van haar groot gaan van Kinde, dan bekomt zy dat weerom in het tweede Kind. Volgens den Regel nu van Additie, zo men twaalf voegt by ses, maakt dat te zamen achttien, en gelykje weet dat is de volle tyd voor twee Kinders.’

Op die voet rolden de Askalonische Discoursen, in ieder Tusschenpoos van het Tonneelspel van ’t Veranderlyk Geval, en zonder Moses die voor Mengo speelde, en genoegzaam myn gantsche Aandacht besloeg, als die beter de Rol van een Zot verbeelde, dan meenig Wysgeer die van een verstandig Man nabootst, en volgens de hedensdaagsche Trant, de Verdienstige Natuur verzelde met de onwillige Armoede, zou ik een grooter Getal van die deftige Dialogues van buyten geleert hebben.

Tegens dat de Klugt zou beginnen, ley ik toe om te decampeeren met een stille Trommel, (dat trekt sterk op het Baronieren) dewyl ik de Hebreeuwsche lucht, die de warme Smousse Juffers exhaleerden, niet langer kon weerstaan, zonder my bloot te stellen voor een onmydelyk Leevensgevaar. Ik greep dan de Gelegentheyt by ’t Haair, van het Geklop van een party ongeduldige Smoussen en Smoussinnen, die zo heet waren om in de Loots-Komedie in te dringen, gelyk als de meeste jonge Heeren en Juf[184]fers, graag zyn, om door te booren tot in het binnenste van het Beterhuis des Huwelykx, zonder eens te letten op die Leyders, die zo gaarn die kuische Boeyen, die hun tot de Woordhouding verbinden, zouden willen verbreeken.

Ik wiert dan op vrye voeten gestelt in die Disorder, en na dat ik op ’s Heeren Straaten myn Adem zeven en zevenwerf had herhaalt, protesteerde ik plegtiglyk; ‘Dat het min moeyelyk zou zyn aan een verstandig Man, om het Marmer te polysten met zyn Nagels, om een Aambeelt te kraaken met zyn Tanden, om een Oostindische Reys te doen, zonder Eeten of Drinken, en om van het Y na Jerusalem te loopen, zonder eens te Pleysteren, dan zig voor de tweedemaal te exponeeren aan de doodelyke Vertooning van een Smousse Blyspel.’

Schouwburg der smousen (1726) (2)

dinsdag 25 september 2007

Myn Oog viel op een damaste Sac, waar in een mooi Jodinnetje was gekroopen, dat al het Air had van dat Schepsel, in wiens Hoofd den * Paddesteen wort gevonden. Haar Galant zat naast myn Zy, en had de Beleefdheyt om my tot een Tolk te verstrekken; doch dewyl hy een execrabel Hoogduyts sprak, lee ik geen andere schaade als aan het Gehoor, daar ik andersins zyn zinnelooze Uytdruksels zou hebben moeten beandwoorden met woorden. Een koppel jonge Smoussen waaren in een grondelooze Onderneeming met twee Kastaanje blanke Smoussinnetjes ingewikkelt, en scheenen een ernstige Toeleg te formeeren op de Hoepelrokx Schanskorven van die halver wege komende Dinas. Die twee Jongens dronken als Braessems, en de Meysjes slobberden meer stukken Zoetekoek in, als een Big geele wortels eet, uyt welke flaauwe Voortêkens ik dit Besluyt opstelde; Dat die twee Juffertjes een heviger Omwenteling in haar Boezems gevoelden als de Maan, en a Coup seur tegens Middernacht, beyde het Vleesch en de Duy** zouden trachten te veroormoedigen.

Onder andere Nieuwschierigen zag ik een bevallige Jodin in den Bak komen aanstryken. Zy was vermomt in een zedige Opschik, doch men kon de Mossen en Geyten zien dartelen in haar tintelende Blikken, en ik neem aan, om op een span na te gissen, Hoe dikmaals dat zy wel een Herhaaling van Tederheyt zou lusten tusschen dag en nacht. Zy bewimpelde haar Schreeden, doch men zag maklyk, dat zy des noots zynde wyder kon schryden; haar Armen waaren zo aardig geposteert op haar Heupen, gelyk als een Hoen dat opgezet is om aan het Spit gebraaden te worden; en op de Deyningen van haar lieve Tetten las ik in verstaanbaare Woorden, deeze twee Regels [180]

Myn Lust, myn Leeven, kom! ’t gezwolle Zwaanedons,
Wacht enkel maar naar Ons.

Den onnozelen Hals haar Man volgde zyn Beminde, en scheen vry hovaardig te zyn op die schoone Rib, die hem gaande en staande hoorns opzette door haar wellustige Lonken. Haar Tabbaerd was een nieuwmodische Parterre, die vry meer fatigues scheen verduurt te hebben aan de Achterslippen, als aan de Voorpanden; en schoon dat haar bovenste Rok bewoelt was met zwaare goude Franjens, echter was hy wel zo ligt om op te heyssen als een Driedeks Schoverzeyl. Een goud Orlogie hong niet ver van die Vesting waar in een Man zyn Eer billetteert, en ik vertrouw dat zy de Minuyten van een onderlinge Tederheyt ruym zo wel aanwees als dat Uurwerk, zynde zy in alle haare Beweegingen gelyk aan Mevrouw Druyve blos, die min om een Pension, als om het innerlyk Vermaak negotieert op de Kust van Vulkaans Bedgenoot.

Die Dame wiert opgevolgt door een alderliefste Smoussinnetje, dat op haar korte Hieltjes rondom draayde, als een Klos op zyn Spil. Dat Hoogduyts Spinnewieltje was geaccompagneert met een diminutief Smousje, dat het Kwikzilver in zyn Pollevyen, en de Grieksche P op zyn voorhoofd droeg; ook kon men in zyn baldaadig Gedrag, en in haar onbeschaamt Air wel zien, dat zy voor malkanderen waaren in de wieg gelegt, zynde hy een Koopman in ingeleyde Agurkjes, en zy een Gouvernante over ses Eyers leggende Kippen.

(wordt vervolgd)

Schouwburg der smousen (1726) (1)

maandag 24 september 2007


Wegens het verschijnen van de heruitgave van Weyermans Talmud (1736) keek Herkauwer naar enkele andere teksten van Weyerman. Daarbij naar diens Echo des Weerelds. Dat blad is niet opgenomen in de DBNL; slechts zijn Rotterdamse Hermes en Ontleeder. (Men heeft aldaar dus nog iets te doen.)

In die Echo wordt, op 25 maart 1726, een complete aflevering gewijd aan een soort joods amateur (?) toneelgezelschap in Amsterdam, in zo om en nabij de arme en warme buurt. De Echo is hier een unieke bron. Deze aflevering wordt een enkele keer wel genoemd in toneelgeschiedenissen. Zelden zal iemand de tekst gelezen hebben.

Weyerman neemt toneelbezetting en toeschouwers op de hak, maar beleeft overduidelijk ook genoegen aan de hele entourage (niet gaan zeuren over antisemitisme dus. Dat is, wie weet, bij Weyerman op enkele plaatsen misschien het geval - maar niet hier).

Maandag, den 25. Maart, 1726.
Histrionum cogis mendicarier. Plaut.
De BESCHRYVING van de Schouwburg der SMOUSSEN.

[177] Een Autheur dient alles te onderzoeken, om over alles te konnen praaten; hier in gelyk aan een Alchimist, die in het grobbelen na den Steen der Wyzen zomtyds een Hulpmiddel oploopt, waar mee hy ’er een geneest, en Vyftig den hals breekt. Op die wyze heb ik het Nut en het Vermaakelyk nagedraaft in de heromzwervende Schouwburgen van den hoogh verlichte Jacob van Ryn**, en in de Medeas Tent der vier Kroonen, doch ik heb misgetast. Ik heb het Nut en het Vermaakelyk nagerent in het Brussels Opera van le Sieur Bombar**, en in de gecastreerde Dusseldorpsche Akteurs, doch niets geobtineert; [178] tot dat ik eyndelyk en ten laasten het een en het ander, meer by Geval als by Kennis (die Verdienste komt de Doktooren toe) heb gevonden, in de Loots-komedie der Smoussen, waar van ik de navolgende oprechte, ongeblankette, en vrolyke Beschryving zal mededeelen aan myn Leezers.

Op een Woensdag of op een Donderdag, (de laatste is zo goed of zo boos als de eerste) zeylde ik vlak voor de wind na een planke Loots in de Joodsche Houttuynen, welke Loots zo door een Conspiratie van Smousse Tonneelspeelders, als door een excessieve Som van driehondert Guldens, getransmuteert was in een zaakelyk en vermaakelyk Israeliets Schouwburg. Dit Schouwburg was zeer zedig gemeubeleert in zyn binnenste, en scheen geen kleyntje te participeeren aan de Haveloosheyt en aan de in en uytwendige Armoede van deszelfs Bouwheeren, en Fondateurs. Men zag ’er geen geschilderde Goden nog Godinnen zeeschuymen in gepannekoekte Wolken, nog geen Neptuyn, schrylings gezeten op een hartdravende Dolfyn, de Nymfen narennen om die te empaleeren met Cyprus Elger. Geen kuysche Daphnê ontvlugte op den Slakken-galop den Afgod der Dichters, die als dol was om te badineeren met haar Eekhoorntje; ook was ’er geen eene Europa te zien dien den Bul beschree, een Fabel die geen geringe Aanleyding gegeveen heeft aan de getrouwde Dames om haar gehoornde Heeren en Meesters met een zachte Hand en een straffe Toom te regeeren. In steê van die leerzaame Vertooningen, zag men een beknopt Tonneel, iets breeder als een Verkeerbort, iets langer als een Meloenbak, en iets hooger als de Steel van een Burger-helbaart, wiens rechter zy in het inkomen met een Bufet prykte, waar op den Overvloet ten toon stond van de Belegering van Sancerre. De schoone Marianne was de Concierge van dat Bufet, dewelke met een spaarzaame hand, de Genever, dat Eau de Barbade des Duy**shoekx, de zoete Koek, die Wellust der Kinders, de Tabakxpypen, dien Hemel der Matroosen, en de wormsteekelige Cinaas appelen, dat Kermis Banket der Dienstmeysjes, distribueerde aan de gejaponde Smoussen, aan de opgetraaliede Smoussinnetjes, en aan de op de Loerjacht zittende Jonkersteegs Katten, en Zeedyks Kruys-madelieven. Twee aanzienlyke yzere [179] Kroonen, die wel eertyds gedient hadden op de helsche Bruyloft van Proserpina, bralden hoofd voor hoofd met zeven Ongeltoortsen, die zeer na de dikte van een Spaansche Tabakxpyp, en de Lengte der Koningkaersjes evenaarden, welke Kroonen door een Hebreeeuwsche Kaersesnuyter, na een moderaat wachten van anderhalf Uur en sestien Minuten, geillumineert wierden, waar door ik de Gelegendheyt kreeg, om myn Medepligtigen in den Bak te onderscheyden.

(wordt vervolgd)

zaterdag 1 maart 2008

Talmud (1736)

vrijdag 14 september 2007

Het was alweer een paar eeuwen geleden dat Herkauwer iets van Weyerman las. Omdat morgen, op 15 september, een heruitgave verschijnt van zijn blad Den Talmud ofte Overzeldzaame Joodsche Vertellingen (1) keek Herkauwer in een fotokopie van die tekst die hij veiligheidshalve vanouds bezat. Er zijn of waren nog maar twee originele exemplaren van deze periodiek te traceren.

Weyerman is weer fors bezig. Hij vindt het prachtig joodse ‘sprookjes’ na te vertellen op zijn eigen manier, die te vervrolijken en (zogenaamd) van een wijze les te voorzien. In een tamelijk serieuze inleiding is hij ietwat depreciërend ten aanzien van de Gemara, maar buitengewoon lovend ten aanzien van de Mishna (2), ‘een achtste wonder, zoo volmaakt in zyn soort als Vrankryks Versailles, of als Spanjes Eskuriaal’.

Een klein stukje uit ‘Op wat wyze den Rabyn Chanina water haalde uit het Paradys en uit de Hel, en eindelyk Koning wiert gekroond in Israël’.

In dat verhaal heeft de koning van Israël zijn vrouw verloren. Nu wordt hij belaagd en gevleid door allerlei dames. Een oude raadsheer raadt hem een degelijke vrouw te huwen.

Terzelfdertijd geeft de eenvoudige rabbijn Chanina les aan zijn leerlingen. Een vogel komt hem waarschuwen dat hem een ramp boven het hoofd hangt.

Weer een andere vogel deponeert een lange, goudgele haar bij de koning die zweert de vrouw die bij die haar hoort, te zullen trouwen. Een jonge raadsheer waarschuwt:

‘Geheyligde Vorst, het spreekwoord zegt, onbekent, onbemint, dat is, hoe zult gy een goudsbloem konnen echten, misschien by allerley soort van ruspen en slakken bezabbert en belekt. Genomen zy is schoon, wat is toch een schoone tronie aan een vrouw; Niet anders als een cierlyk geschildert uithangbort voor een wynhuys, welk alleenlyk is geschikt, als een lokaas, wyl’er niet anders valt als gestomde Gravesche wyn, ofte een nog snooder mengelmoes, Ja maar zy voert goude haairen; Fiat, daarom is het alles geen goud wat’er glinstert en blinkt. Een purpere zak, en een styf gereegen tabberlyf, vermommen veeltyds een krommen rug, en een paar scheeve beenen. Blanketsel en pomade verdichten nu en dan een leliblank aangezigt, doch waar aan de natuur min deel heeft als de konst: en die rollende hemelglooben gekerkert in een Haagsch ryglyf, vallen nederwaards gelyk als een paar omgekeerde zuikerbrooden, als de Juffer wort ontkleet. Met een woord, Vorst, als de vermomming wort verschooven, verschynt het monster in zyn geheel: en in stee van een Godin te drukken op het dons, vind gy u met een nachtmerri behext, welke u moet byblyven tot aan den yskelder des doods.’

Men kan zich afvragen of deze raadsheer wel zo’n aardig karakter heeft.

Veel aardiger is het daarop volgende avontuur van rabbi Chanina, te lang om hier uitvoerig te vertellen. De rabbi wordt er door de koning opuit gestuurd om de dame met de gouden haren te ontdekken.

Hij reist de wereld over, en krijgt hulp van een raaf, een hond, en een tarbot (jazeker, een tarbot). Uiteindelijk vindt hij de vrouw. Zij is vorstin, maar heeft geen zin om mee te gaan. Zij laat de rabbijn allerlei proeven afleggen die hij alle goed doorstaat. Zij krijgt een oogje op hem. Uiteindelijk komen zij beiden terug bij de koning van Israël.

De uitkomst: de koning sterft. De rabbi wordt nu zelf koning.

Hoe dat allemaal in elkaar steekt leest u zelf maar. Weyermans taal is barok, maar uiterst creatief. En u steekt al lezend massa’s op over de vroege achttiende eeuw.

(1) Er verschenen slechts acht nummers, januari-februari 1736. De titel van de moderne uitgave is:
Jakob Campo Weyerman, Den Talmud ofte Overzeldzame Joodsche Vertellingen (1736). Uitgave met inleiding en commentaar door Marja Geesink en Anton Bossers. Leiden, Stichting Jacob Campo Weyerman, 2007. Abdera 6. 118 blzz. ISBN 90 71726 04 5.

Bestellen dus. De editie is ook te verkrijgen door overmaking van E 12,50 op giro 3848148 van de Stichting Weyerman onder vermelding van ‘Talmud’.

(2) De twee bestanddelen van de Talmoed. De Gemara is de uitleg, de Misjna de wet (d.i. de neerslag van de mondelinge wet).

vrijdag 29 februari 2008

Wolff/Deken, Aan de Jooden (1798) 3) (slot)

woensdag 22 augustus 2007

(vervolg)

Het wispeltuurig volk staat stil,
Neemt een besluit, bepaalt zijn’ wil,
Leert zijn betwistte rechten eeren;
Veracht zijn lange slavernij,
Vecht moedig met de Dwinglandij,
Om, overwinnend, weêrtekeeren;

Toont zig een onömkoopbaar vriend,
Van ieder die de Vrijheid dient;
Poogt de onderdrukten recht te schaffen,
Vliegt naar ’t verdrukte Nederland,
En wringt den geessel uit de hand
Des dwinglands. om hem streng te straffen;

Toonde aan den braaven Batavier,
Het veiligst, beste staatsbestier,
Om vrij te zijn, en vrij te blijven;
Toen viel de Dagon, (*) ’t volk ter eer’,
Voor ’t altaar van de Vrijheid neêr:
Nooit zal hij ’s Prinsen magt meer stijven:

Toen werd ge, ô Broeders! Isrels kroost!
Eerst naar uw zielenwensch getroost;
Gij mogt als vrije menschen spreeken;
Toen kon geen schoolgeleerd gevit.
U uit het wettige bezit
Van uw geëischte rechten preêken:

Hoe vreemd is hij aan MOZES wet,
Die u, in ’t Burger zijn, belet,
U smadelijk heeft afgewezen!
Daar hij bij ’t plechtige u bepaalt -
Waar’ hij ooit zoo heel ver verdwaald,
Zo hij zijn wetten had gelezen?

De wijze MENDELSZOON was Jood,
Schoon hij der Godheid offers bood
Op ’t altaar van zijn rein geweeten:
Wie durft hem, die zijn GOD dus dient,
Der Wijsbegeerte- en Deugden-vriend,
Een veinsäart in zijn’ Godsdienst heeten?

Dat gij getrouw uw wet betracht,
En nog op uw’ Messias wacht,
Kan Vrijheid zeer bedaard beschouwen;
Die Heiland, uwer Vadren wensch,
Zal op de rechten van den mensch
Zijn Rijk van liefde en vrede bouwen:

Ach! of maar onze vrije Staat,
Door Prinsman en Aristocraat,
Geen andre Heilands hadd’ te wachten!
Zijn rustherstellers, maar in schijn,
(Wijl ’t waarlijk rustverstoorders zijn;)
Wat zouden we ons gelukkig achten!

Ja, Broeders, ook aan uw verstand,
Betrouwen wij het Vaderland;
’T Vooroordeel moog’ zig daar aan stooten;
De Jood is ook een Patriot,
En in de dienaars van één’ GOD,
Zien we allen ook geloofsgenooten.

GOD zegene u! Hij blijve u bij!
Hij maake alom uw Natie vrij!
Doe ’t Monster, Inquisitie, beeven,
Verbann’ het in des afgronds nacht!
Hij doe heel ’t menschelijk geslacht,
Door broederschap gelukkig leeven!

Versmaad het nedrig offer niet,
Waarin ge een Vrijheids liefde ziet,
Waarop gij veilig moogt vertrouwen:
Wij noemen ons, (dit wekke ons haat
Of gunst,) twee vrienden van den Staat,
Twee waarlijk Vaderlandsche Vrouwen.

(*) Het foederalisme.

Wolff/Deken, Aan de Jooden (1798) (2)

dinsdag 21 augustus 2007

(vervolg)

Hoe zuchtte ons menschlijk hart tot GOD,
Om ’t al te deerniswaardig lot
Der schaamle Jooden, en Jodinnen!
Als, ademloos, en boven kracht,
Al heigende, de zwaarste vracht
Rondsleepten, om hun brood te winnen!

Daar duizend bronnen van bestaan
Voor u tog nimmer opengaan,
De neering u alleen moest voeden,
Verdiende ’t onze inschiklijkheid,
Indien gij eens, door loos beleid,
’T gemis uws rechts wist te vergoeden:

Ja, Joodsche Broeders! gij hebt recht;
Al ’t geen gij van de Christnen zegt
Is maar te duidelijk bewezen;
Helaas! de Godsdienst van hunn’ Heer,
Heeft van hun wangedrag, veel meer
Dan van uw’ tegenstand, te vreezen:

Dan, wijt toch al uw wreed verdriet
Aan hunnen schoone Godsdienst niet!
Hij dwingt toch nimmer het geweeten;
Al wie op zijn bevelen let,
Ziet in zijn leer ook uwe wet,
De zedeleer van uw Propheeten.

Houd moed, o onderdrukte schaar!
De heugelijke tijd is daar,
De Wijsgeer pleit voor uwe rechten;
De Rede is voor partijzucht doof,
In ’t Rijk van ’t zotte Bijgeloof
Zien wij voor uwe Vrijheid vechten.

In ’t groot, het magtig Fransche Rijk,
Daar een dweepzieke LODEWYK,
Omringd van looze hovelingen,
Nog loozer, boozer priestren-rot,
Tot zijn bevrediging met GOD,
Het vrij gemoed begon te dwingen;

Daar hij, door kneevlarij bestierd,
Een laffe, wreede dwingland wierd;
Zo onstaatkundig als vermeten,
De nutten Protestant verjoeg,
Die niets van zijnen Koning vroeg,
Dan Vrijheid voor zijn vrij geweeten:

In ’t Rijk, daar, door een vreemd verband
Der driften en gezond verstand,
Die bron van tegenstrijdigheden!
VOLTAIRE voor de Vrijheid streed,
En tevens valsch, verbitterd, wreed,
Den Jooden op het hart dorst treeden:

In ’t Rijk waarin de Philosoof,
Of met het zwetsend Ongeloof,
Of met het Bijgeloof moest strijden;
GOD uit de schepping werd geweerd,
Of door den dwaasten dienst onteerd,
Dien men Hem zag, met siddring, wijden;

In zulk een Rijk kwam onverwacht,
Het heillicht uit den duistren nacht
Der grootste onwetendheid, verschijnen;
’T Vooröordeel, door dien glans verschrikt,
Schoon ’t op de Vrijheid grimmig blikt,
Moet met zijn dom gevolg verdwijnen:

Ligtzinnigheid straalt zelf dat licht
In ’t zo verwilderd aangezicht;
Verwarmd, gekoesterd, door die straalen,
Leert zij, die nimmer wikte of woog,
Haar opgehelderd zielen-oog,
Op iet gewigtigs te bepaalen.

(wordt vervolgd)

Wolff/Deken, Aan de Jooden (1798) (1)

maandag 20 augustus 2007

De politiek-progressieve stellingname van de schrijfsters Wolff en Deken in het bijzondere revolutiejaar 1798 is duidelijk zichtbaar in hun ‘Aan de Jooden’, opgenomen in hun Gedichten en liedjens voor het vaderland [...] (1798), p. 133-144.

Het latere, bekende gedicht van Staring uit 1820 over de joden lijkt hierop overigens geïnspireerd. Vergelijkt u de beginregels maar eens.
Hier volgt het eerste deel van de tekst.

Aan de Jooden

O telgen van een edlen stam!
Nakoomlingschap van Abraham!
Die man, vóór de eeuwen uitverkoren,
Door ’t eeuwig waakend Albestuur,
Op dat de Godsdienst der Natuur,
Niet onherstelbaar ging’ verloren:

Die schoone Godsdienst, even vrij
Van zinlijkheid, als dweeperij,
Waardoor één God wordt aangebeden;
’T Geloof zig bij die leer bepaalt,
Niet wijflend in een doolhof dwaalt,
Van duistere verborgenheden:

Die schoone Godsdienst, zo beroemd,
Te recht Aertsvaderlijk genoemd,
Daar hij in ’s werelds kindschheid bloeide,
In ABRAHAM steeds werkte en dacht,
Zijn deugd tot zulk een hoogte bragt,
Als zij in ’s Christens harte ooit groeide.

Gij kindren van dien Vriend van God!
Zo lang versmaad, veracht, bespot,
Zo lang van oord tot oord verdreven,
Door wereldlijke heerschappij,
Door kerkelijke hierarchij,
Als mensch, als burger, doorgeschreven;

Door ’t valsche staatsbelang verjaagd,
Door ’t opgerukte graauw geplaagd,
Door huichelende Priesterschaaren,
De Rede en Menschlijkheid ten hoon,
Den God des Vredes aangeboôn,
Op bloed- en brand- en moord-altaaren!

Ach Broeders! ach! hoe lang en bang
Viel u der Inquisitie dwang!
Wat groot getal van huichlende eeden,
U afgeperst, door dolk en kling,
Zal niet, voor haare rekening,
Eens voor GODS hooge vierschaar treeden!

’T is waar, hardnekkig Onverstand
Smeedde, in ons dierbaar Vaderland,
Geen boejens voor uw vrij geweeten;
Ach! hadde’ men niet, uit zelfbelang,
Uit winzucht, die gewetensdwang,
Al zijne woede doen vergeeten!

De stad aan ’t wimpelvoerend Y,
Zo magtig door haar zeevaardij,
Bouwde u twee schoone Synagogen,
Daar gij de Wet van MOZES leest,
Maar Dweeperij, maar Secten-geest,
Kon deeze weldaad naauw’ gedoogen.

Gij hadt, ’t is waar, een vast verblijf;
Gij oefende uw koopbedrijf,
Tot voordeel uwer stadgenooten;
Gij werd niet, als een vagebond,
Bij ’t nadren van den avondstond,
Onmenschlijk uit de stad gesloten.

Hadd’ Secten-geest dit plan beraamd,
Beschaafdheid hadd’ het zig geschaamd,
En Zelfbelang het dóórgeschreven;
Maar wie voor u ook hebb’ gepleit,
U werd tog uwe bede ontzeid,
Met Christnen in één wijk te leeven.

Verschoven als der Burgren vloek,
In eenen afgelegen hoek;
Van ’t heilig Volk gantsch afgezondert,
Heb ik, in Vrijheids ronde taal,
Uwe onderwerping, menigmaal
Uw taaje lijdzaamheid bewonderd.

(wordt vervolgd)

woensdag 27 februari 2008

Ledenlijst Felix Libertate (1795) 2

maandag 9 april 2007


(vervolg)

Cohen, Ziby (CH)
Costa Athias, Isaac da
Costa Athias, Jozef da (?)
Costa Asser, Joseph da (R)
Dessauer, Jacob Hartog
Dort, Hartog Salomon van (R)
Embden, Benjamin Joachim van (B)
Embden, Ephraim van (R)
Embden, Joachim van (B)
Friedrichsfeld, David
Haarlemmer, Kalman (B)
Haas, Leman Salomon
Hespe, Mr. Jan Christiaan
Hijmans, Simon
Hollander, Abraham Levi
Jacobs, Ezechiel Cohen (R)
Jacobs, Juda Zacharias
Jacobs, Gabriel (R)
Jomijn, N.D. (R)
Jonge Meijersz, Izak de
Jongh, Nathan J. de
Jongh, Louis de (R)
Kalf, Jechiel
Kastemaker, Simon (?)
Koenig, Herman Nathaniel
Krijn, Jida van Aaron (B)
Laar Mahuet, J. van
Leevy, Isaac (CH)
Lemon, Hartog H. de (R.)
Lier, Nathann Joseph van (R)
Lima, Samson de (R)
Littwak, Juda
Machielsz, Lion Cok (R)
Meijer, Jonas Daniel (?)
Meldola Jr., David (R)
Menist, Mozes van Samuel
Moresco, Mozes (B)
Naarden, Wolf van Loeb (Norden?)
Occarssen, Arnoldus (R) [of Occarijn GH]
Ockerse, W.A.
Prins, Herts
Samuels, Hijman (R)
Sasportas, Jacob (R)
Schabracq, [E.]
Simons, Barent (R) [“dit is de handtekening van ...+”]
Suasso de Lima, François (R)
Swaab, S. Levie
Wiener, Hirsch nen Hirsch
Wittering, Jacob (B)

B = ontleend aan Bloemgarten
R = ontleend aan rekest Bromet c.s.
CH = ontleend aan Charpentier 1990

Ledenlijst Felix Libertate (1795) 1

zondag 8 april 2007


Binnenkort verschijnt, zag ik, een biografie over Hartog de Lemon. Dat is een spannende figuur uit de joodse emancipatie, rond 1800. Hij werd als armendokter door de bestuurders van de synagoge ontslagen omdat hij daar de Rechten van de Mens wilde laten voorlezen. Hij komt verschillende keren voor in het milieu-Kinker. Kinker wilde hem voordragen als lid van de loge. Dat lukte niet, waarop de groep-Kinker binnen de vrijmetselarij een strijd begon over de principiële gelijkwaardigheid (zie mijn Sluiers van Isis). Ik zie dus met spanning uit naar die biografie.

Een en ander leidde tot gegrabbel in oude mapjes. Daarin vond ik een mij door Peter Buijs, april 1995, toegestuurde ledenlijst van het het joodse emancipatoire gezelschap ‘Felix Libertate’. Dat werd opgericht bij de revolutie in 1795. Het stuurde 26 maart 1796 een verzoekschrift naar de Nationale Vergadering, om de joden gelijke rechten te geven. Dat nu leidde tot het decreet van 2 december 1796, over de ‘Gelykstaat der Joden’.

Een belangrijk gezelschap dus. En nogal door de historici verwaarloosd. Afgezien van wat alinea’s her en der vind ik er tenminste geen echte degelijke studie over. Vandaar dat Herkauwer hier, een beetje in het verlengde van het lijstje leden van het joodse ledenbestand van ‘Door vlijt en eensgezindheid’, het lijstje van Buijs overneemt; dat zal hij wel niet erg vinden. Dan heeft men het geheel bij elkaar, hoewel men ongetwijfeld individuele leden ook wel elders kan vinden, mogelijk ook in digitale bestanden. - Ook hier bevinden zich op de lijst enkele niet-joodse Nederlanders.

De letters achter diverse namen geven de door Buijs geraadpleegde bronnen aan, door hem kort achter de lijst zeer kort aangegeven. Welke bronnen dat precies zijn kan men ongetwijfeld vermeld vinden in Hetty Berg, De Gelykstaat der Joden. Inburgering van een minderheid (1996). Daarin kan men verschillende spannende artikelen vinden over de joodse inburgering van rond 1800, onder meer van de genoemde Peter Buijs; en van Herkauwer.

Aberle van Amersfoort, Natan (B)
Adami, Harmanus (CH)
Albuquerque, Abraham (R)
Aletrino, Isaäc
Alexander, Ephraim (B)
Alexander, Mozes Salomon (R)
Ancona, dr. G. d’
Asser, Carolus (?)
Asser, Mozes Salomon (R)
Beeldsnijder, .. (?)
Boas, Selig van Saul (B)
Braatbard, Chaim
Bromet, Harmanus Leonard (Hartog) (B)
Bromet, Sampie (B)
Bronveld, Liepman (R)
Cats, Salomon (B)
Coerlander, Juda David (CH)

(wordt vervolgd)

Patriots-joodse belofte Den Haag (1797)

zondag 1 april 2007

In Den Haag werd oktober 1797 door aanhangers van de joodse Haskalah (Verlichting) een eigen genootschap opgericht: ‘Door Vlijt en Eensgezindheid’. Interessant is de formulering van hun belofte. Die verraadt, blijkens de laatste zinsnede, dat er enig debat moet hebben plaatsgevonden over de verhouding staat-religie.

Herkauwer citeert de tekst naar D.S. van Zuiden, De Hoogduitsche Joden in ’s-Gravenhage van af hunne komst tot op heden. Den Haag 1913, bijlage X. In die bijlage vindt men ook het lijstje leden van ‘Door Vlijt en Eensgezindheid’. Dat lijstje laat Herkauwer daarna volgen. Het kan de een of andere onderzoeker van dienst zijn.

‘Op voorstel van den Burger M. Edersheim (25 January 1798) werd besloten van de leden de navolgende belofte af te nemen.
“Ik lid der Maatschappij onder den spreuk “Door Vlijt en Eengezindheid” in den Haage beloove plechtig op mijn Burgertrouw ten aanzien van het Alwetend Opperwezen, daar ik steeds toegedaan ben de gevoelens van Vrijheid, Gelijkheid, der Rechten van den Mensch en Burger de een en ondeelbaarheid der Bataafsche Republiek, die gevoelens overal en ten allen tijde, wanneer zulks nodig moge te zijn, te helpen verdeedigen en voor te staan zonder mij hiervan om lief of leed te doen wederhouden en beloove verders hieraan ten allen tijde volgens mijne Godsdienstige gevoelens gestand te doen.
Dat beloove ik.”’

Volgt het lijstje leden. Mogelijk zijn zij niet allen joods. De naam Cornelis Heiligert lijkt immers te zijn de naam van een Leidse boekhandelaar. Hij was gedurende enige jaren de zakenpartner van de wat bekender Leidse patriotse boekhandelaar Cornelis van Hoogeveen Junior, alias ‘Apekees’. Is Van Laar-Mahuet niet eveneens een boekverkoper? Een dergelijke ondersteuning door niet-joden komt wel meer voor. Zo bestaat begin negentiende eeuw te Amsterdam het verlichte joodse gezelschap ‘Tot Nut en Beschaving’. Daarvan waren mensen als Jan Kinker ondersteunend lid.

M.C. Belinfante
I. Belinfante
Samuel Boas
I. Beukers
Bt. de Baas
Sal. L. Davids
Elias Levy Davids
Jacob L. Davids
Marcus Edersheim
I.I. Eindhoven
A. Ephraim
M. Ephraim
I. Eversen
Isaac Eliazar
Corn. Heiligert
A.D. Hollander
Coenraad Heymans
I. Heuvelman
Wolff B. Jacobs
Wolff Isaacs
Eliazar Israel
Zadok Juda
Isaac Kann
Benjamin Kann
M. Kann
W. van Kersbergen
I. van Laar-Mahuet
Joseph Levy
Isaac Leon
Salomon de Leon
L. Loup
A. de Mongé
Daniël Moses
M.L. Nathan
I. Oudorp
I.I. Polak
N. van Praag
A.S. Pimentel
E.H. Sax
A.W. Swart
B.I. Swerein
A. Spijkerman
I. de Vries
Abm. Wolff Jun.
Sem Wolff
Salamon Wolff
Leeman Wolff.

Twee paspoorten (1795)

17 maart 2007

Er is niets nieuws onder de zon. Het probleem of bijvoorbeeld katholieken wel loyaal kunnen zijn aan een seculiere staat is hier al eens aan de orde geweest, aan de hand van overwegingen hierover door Van Effen, en Wolff/Deken. Herkauwer kwam twee ingezonden brieven tegen, ditmaal betrekking hebbend op een soortgelijk probleem rond het joodse volksdeel. Zij zijn te vinden in het patriots-republikeinse weekblad Deugd en Vryheid, van 1795, in de nummers 4 en 6.

De NCC geeft slechts één overgebleven exemplaar op van dat blad, ter KB, de nrs. 3, 4 en 6 bevattend; maar bij vlijtig speuren zullen er mogelijk vollediger exemplaren te vinden zijn. Het werd uitgegeven te Zwolle, bij F. Clement.

In nr. 4:

‘Ik een Zwolsch Patriot, een brandend Voorstander van de Regten van den Mensch, een Vriend van de Armen en Onderdrukten, vervoege mij in geschrifte tot Ul., ten einde U te raden, om een ieder uittenodigen, die door Briefwisseling of door de Couranten weet, wat ’er in ander Plaatsen van onze Republicq besloten wordt met betrekking tot het Stemregt der Joden, om zulks terstond aan U, en door U aan de Inwoners van deze Stad bekend te maken. Want het zou my geweldig spyten, dat wy Zwolschen, wyd en zyd bekend staande voor egte Vryheids Zonen, ons in het bepalen van de Regten van de Mensch zwakker en bekrompener zouden gedragen, dan de Vrye Burgers van andere Steden. Wat het Volk van Amsterdam betreft, dat heeft reeds de Joden voor Broeders en Medeburgers erkent, ten minsten op het Feest der Revolutie, gevierd den 4. Maart, gelyk blykt uit de volgende plaats, welke woordelyk is overgenomen uit de gedrukte Beschryving van dat Feest. “Agter dit schild volgden onmidlyk de Leden der Leesgezelschappen, die, zo wel als de gewapende Burgers, het Volk van Amsterdam verbeeldden. Men heeft thans 39. zulke Gezelschappen in deze stad, waaronder één onder de Zinspreuk: FELIX LIBERTATE, het geen uit Joden bestaat.”
Een oud Zwolsch Patriot.’

Een reactie, in nr. 6:

‘’Copie uit een brief over de redenen waarom de Joodsche Natie niet Stemgeregtigd kan zyn.
De kundigste Lieden in Holland denken omtrent dit stuk op de volgende wyze: - dat het Jodendom, volgens de Leer hunner Vaderen, de herstelling hunner Natie en den komst van den Vorst Messias verwagten, (dien zy als een aardsch Koning beschouwen) en daarop blyven hopen. Dit Grondbeginsel nu loopt lynregt aan tegen de leer van de Oppermagt des Volks en erkende Regten van den Mensch en Burger, als maar al te veel strekkende tot het daarstellen van een aardsch Koningryk. Zy derhalven, die de leer der Voorvaderen aankleven, (en dus waarlyk Joden zyn erkennen, door hunne Verwagting van een aardsch Koningryk, de Regten van het algemene Menschdom niet. - Zy beschouwen zig als een byzonder Volk op den Aardbodem, en zyn dus in de daad Tegenstanders van de Leer der Gelykheid en Broederschap. Zy sluiten zig derhalven van zelf uit de Maatschappy, die zig alleen op die gronden wil vestigen, en erkennen zig in de daad Vreemdelingen ten onzen opzichten te zyn. Zy, die deze leer der Voorvaderen niet aankleven, zyn ook geen Joden meer.’