zondag 2 maart 2008

Schouwburg der smousen (1726) (3)

woensdag 26 september 2007

Maar ik zal een gevaarlyke Societyt van Slagers, Verspieders, Beursesnyders, zingende, springende, drinkende, klinkende, en in Weerwolfs bonte Mutsen opgeschikte Smousse Koopers en Verkoopers niet eens beschryven; ook zal ik met een demoedige Verachting de vier Muziekanten, Nathan, Nikodemus, Smouwel, en Maayer Polak in het Vergeetboek stellen, dewyl die de Fioolen tot Gekken maakten, en op geen half Vierendeel na, een halve Noot wisten te onderscheppen.

’k Spreek van geen Maagden appelront,
Nog Meysjes zacht als Sabelbont,
Wel waardig onze Herhaling:
Geen eene hoe jong, hoe quips, hoe teer, [181]
Wiens binnelandsche Maagdoms Eer
Niet ruym zo glad was als de Huyd van Jansjes paling.
*
’k Rep van geen Babel-taal, in Rym en Onrym vals,
Nog van ’t vervloekt Gezwets in Onduyts, leelyk Wals,
Of op Hebreeuwsche toonen.
Ik noem geen Aqua vit van *Gannas Doods bufet,
Geen Cinaas goude Vrucht iets slapper als een Slet,
En vaadscher als ’t Beslag van Felix Coffiboonen.
*
’k Verzwyg de Pracht van ’t groots Tonneel,
’k Beoog de Vreede, en geen Krakeel,
Een al te naakt Vertoog mogt hier zyn Heer verraaden:
Ik ken te wel der Smoussen Wraak,
Geen Spaansche Vyg is van myn Smaak;
Maar zacht de Vorst verschynt met zyn gebaarde Raaden.

De Tonneels Gordeyn opgeheyst zynde zag men den Koning Lypje den Mutsemaaker te voorschyn kruypen, omcirkelt met zyn Agurkjes Graaven, benevens de Princes Porcia, welke Persoonagie verbeelt wiert door den Paruykmaaker Nabaro, gedoopt het Halfslag, als die in de Weerelt gescharrelt was, door het onderling Congres van een Hoogduytsche Moeder, en een Portugiesche Vader. De Vorst Lypje was zeer heerlyk gedost in de gegalonneerde Vacht van den gestranguleerde Baron van Sch***, die in het afspringen van de Ladder vergat om zyn Kleed mee te neemen, en hy dee zyn Inleyding met de navolgende, door den Schoolmeester Moddel, overgehaalde Vaersen.

Nu zeet man eyndlig, was den Himmel has beslossen,
Nag zo viel Jaren krieg; ond zo viel Bloed vergossen:
Ond d’Armen Onertaan to jammerlig geplagt.

Na die derde Regel verfriste de Vorst zyn Long met zo een Hebreeuwsch gebrom, gelyk als een Bremerbier Tor zyn Adem schept onder het aansteeken van zyn eerste Pyp; en dat gedaan hebbende liep hy zyn eerste Loopbaan van de volgende twaalf Regels ten eynde, waar op Looser Kladder ’s Konings Neef zyn Rol begon af te spaanen in dit onderstaende Vers; [182]

De Furst dy volg zayn Wil, mir luystren mit Ferlanken.

Toen gilde Porcia, wiens Neus zo hoog gekleurt was als het Staal van een Scharlakenverwer;

Ond wachten fredig zain Gebotten slag te’ ontfanken.

Daar op boog zig den Schoolmeester Moddel zo galant voor over als een Boer die ’t spit in de Lenden heeft, en gromde;

Te Nait ond Oproer zwigt op ’t Koninglaike wort.
Flukx vouwde Mosis Pasloot zig toe tot over de grootste helft, en knorde;
Zo bloei te Fried, dyn Lob wert am ’t Gestarnt gehort.

* Ganna is de kasteleynsche.

(wordt vervolgd)

Geen opmerkingen: