Myn Oog viel op een damaste Sac, waar in een mooi Jodinnetje was gekroopen, dat al het Air had van dat Schepsel, in wiens Hoofd den * Paddesteen wort gevonden. Haar Galant zat naast myn Zy, en had de Beleefdheyt om my tot een Tolk te verstrekken; doch dewyl hy een execrabel Hoogduyts sprak, lee ik geen andere schaade als aan het Gehoor, daar ik andersins zyn zinnelooze Uytdruksels zou hebben moeten beandwoorden met woorden. Een koppel jonge Smoussen waaren in een grondelooze Onderneeming met twee Kastaanje blanke Smoussinnetjes ingewikkelt, en scheenen een ernstige Toeleg te formeeren op de Hoepelrokx Schanskorven van die halver wege komende Dinas. Die twee Jongens dronken als Braessems, en de Meysjes slobberden meer stukken Zoetekoek in, als een Big geele wortels eet, uyt welke flaauwe Voortêkens ik dit Besluyt opstelde; Dat die twee Juffertjes een heviger Omwenteling in haar Boezems gevoelden als de Maan, en a Coup seur tegens Middernacht, beyde het Vleesch en de Duy** zouden trachten te veroormoedigen.
Onder andere Nieuwschierigen zag ik een bevallige Jodin in den Bak komen aanstryken. Zy was vermomt in een zedige Opschik, doch men kon de Mossen en Geyten zien dartelen in haar tintelende Blikken, en ik neem aan, om op een span na te gissen, Hoe dikmaals dat zy wel een Herhaaling van Tederheyt zou lusten tusschen dag en nacht. Zy bewimpelde haar Schreeden, doch men zag maklyk, dat zy des noots zynde wyder kon schryden; haar Armen waaren zo aardig geposteert op haar Heupen, gelyk als een Hoen dat opgezet is om aan het Spit gebraaden te worden; en op de Deyningen van haar lieve Tetten las ik in verstaanbaare Woorden, deeze twee Regels [180]
Myn Lust, myn Leeven, kom! ’t gezwolle Zwaanedons,
Wacht enkel maar naar Ons.
Den onnozelen Hals haar Man volgde zyn Beminde, en scheen vry hovaardig te zyn op die schoone Rib, die hem gaande en staande hoorns opzette door haar wellustige Lonken. Haar Tabbaerd was een nieuwmodische Parterre, die vry meer fatigues scheen verduurt te hebben aan de Achterslippen, als aan de Voorpanden; en schoon dat haar bovenste Rok bewoelt was met zwaare goude Franjens, echter was hy wel zo ligt om op te heyssen als een Driedeks Schoverzeyl. Een goud Orlogie hong niet ver van die Vesting waar in een Man zyn Eer billetteert, en ik vertrouw dat zy de Minuyten van een onderlinge Tederheyt ruym zo wel aanwees als dat Uurwerk, zynde zy in alle haare Beweegingen gelyk aan Mevrouw Druyve blos, die min om een Pension, als om het innerlyk Vermaak negotieert op de Kust van Vulkaans Bedgenoot.Wacht enkel maar naar Ons.
Die Dame wiert opgevolgt door een alderliefste Smoussinnetje, dat op haar korte Hieltjes rondom draayde, als een Klos op zyn Spil. Dat Hoogduyts Spinnewieltje was geaccompagneert met een diminutief Smousje, dat het Kwikzilver in zyn Pollevyen, en de Grieksche P op zyn voorhoofd droeg; ook kon men in zyn baldaadig Gedrag, en in haar onbeschaamt Air wel zien, dat zy voor malkanderen waaren in de wieg gelegt, zynde hy een Koopman in ingeleyde Agurkjes, en zy een Gouvernante over ses Eyers leggende Kippen.
(wordt vervolgd)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten