Wegens het verschijnen van de heruitgave van Weyermans Talmud (1736) keek Herkauwer naar enkele andere teksten van Weyerman. Daarbij naar diens Echo des Weerelds. Dat blad is niet opgenomen in de DBNL; slechts zijn Rotterdamse Hermes en Ontleeder. (Men heeft aldaar dus nog iets te doen.)
In die Echo wordt, op 25 maart 1726, een complete aflevering gewijd aan een soort joods amateur (?) toneelgezelschap in Amsterdam, in zo om en nabij de arme en warme buurt. De Echo is hier een unieke bron. Deze aflevering wordt een enkele keer wel genoemd in toneelgeschiedenissen. Zelden zal iemand de tekst gelezen hebben.
Weyerman neemt toneelbezetting en toeschouwers op de hak, maar beleeft overduidelijk ook genoegen aan de hele entourage (niet gaan zeuren over antisemitisme dus. Dat is, wie weet, bij Weyerman op enkele plaatsen misschien het geval - maar niet hier).
Maandag, den 25. Maart, 1726.
Histrionum cogis mendicarier. Plaut.
De BESCHRYVING van de Schouwburg der SMOUSSEN.
Histrionum cogis mendicarier. Plaut.
De BESCHRYVING van de Schouwburg der SMOUSSEN.
[177] Een Autheur dient alles te onderzoeken, om over alles te konnen praaten; hier in gelyk aan een Alchimist, die in het grobbelen na den Steen der Wyzen zomtyds een Hulpmiddel oploopt, waar mee hy ’er een geneest, en Vyftig den hals breekt. Op die wyze heb ik het Nut en het Vermaakelyk nagedraaft in de heromzwervende Schouwburgen van den hoogh verlichte Jacob van Ryn**, en in de Medeas Tent der vier Kroonen, doch ik heb misgetast. Ik heb het Nut en het Vermaakelyk nagerent in het Brussels Opera van le Sieur Bombar**, en in de gecastreerde Dusseldorpsche Akteurs, doch niets geobtineert; [178] tot dat ik eyndelyk en ten laasten het een en het ander, meer by Geval als by Kennis (die Verdienste komt de Doktooren toe) heb gevonden, in de Loots-komedie der Smoussen, waar van ik de navolgende oprechte, ongeblankette, en vrolyke Beschryving zal mededeelen aan myn Leezers.
Op een Woensdag of op een Donderdag, (de laatste is zo goed of zo boos als de eerste) zeylde ik vlak voor de wind na een planke Loots in de Joodsche Houttuynen, welke Loots zo door een Conspiratie van Smousse Tonneelspeelders, als door een excessieve Som van driehondert Guldens, getransmuteert was in een zaakelyk en vermaakelyk Israeliets Schouwburg. Dit Schouwburg was zeer zedig gemeubeleert in zyn binnenste, en scheen geen kleyntje te participeeren aan de Haveloosheyt en aan de in en uytwendige Armoede van deszelfs Bouwheeren, en Fondateurs. Men zag ’er geen geschilderde Goden nog Godinnen zeeschuymen in gepannekoekte Wolken, nog geen Neptuyn, schrylings gezeten op een hartdravende Dolfyn, de Nymfen narennen om die te empaleeren met Cyprus Elger. Geen kuysche Daphnê ontvlugte op den Slakken-galop den Afgod der Dichters, die als dol was om te badineeren met haar Eekhoorntje; ook was ’er geen eene Europa te zien dien den Bul beschree, een Fabel die geen geringe Aanleyding gegeveen heeft aan de getrouwde Dames om haar gehoornde Heeren en Meesters met een zachte Hand en een straffe Toom te regeeren. In steê van die leerzaame Vertooningen, zag men een beknopt Tonneel, iets breeder als een Verkeerbort, iets langer als een Meloenbak, en iets hooger als de Steel van een Burger-helbaart, wiens rechter zy in het inkomen met een Bufet prykte, waar op den Overvloet ten toon stond van de Belegering van Sancerre. De schoone Marianne was de Concierge van dat Bufet, dewelke met een spaarzaame hand, de Genever, dat Eau de Barbade des Duy**shoekx, de zoete Koek, die Wellust der Kinders, de Tabakxpypen, dien Hemel der Matroosen, en de wormsteekelige Cinaas appelen, dat Kermis Banket der Dienstmeysjes, distribueerde aan de gejaponde Smoussen, aan de opgetraaliede Smoussinnetjes, en aan de op de Loerjacht zittende Jonkersteegs Katten, en Zeedyks Kruys-madelieven. Twee aanzienlyke yzere [179] Kroonen, die wel eertyds gedient hadden op de helsche Bruyloft van Proserpina, bralden hoofd voor hoofd met zeven Ongeltoortsen, die zeer na de dikte van een Spaansche Tabakxpyp, en de Lengte der Koningkaersjes evenaarden, welke Kroonen door een Hebreeeuwsche Kaersesnuyter, na een moderaat wachten van anderhalf Uur en sestien Minuten, geillumineert wierden, waar door ik de Gelegendheyt kreeg, om myn Medepligtigen in den Bak te onderscheyden.
(wordt vervolgd)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten