dinsdag 26 februari 2008

Atte Jongstra fixt ’t (2)

woensdag 7 februari 2007

De Fix-biografie is een legpuzzel. Ik zal me niet bezighouden met de vraag, met welke verwijzingen naar welke, soms hedendaagse, auteurs Jongstra zijn tekst (zijn farce) opgevuld heeft, in enorme aantallen. Dat is iets voor de liefhebbers, en voor de lange winteravonden. Er komen duidelijk soms moedwillig ‘foute’ verwijzingen voor.

Op één punt vind ik de heer Fix, en zijn denk- en leefwereld niet erg geloofwaardig. Jongstra heeft weliswaar veel moeite gedaan om allerlei realia uit die tijd op te diepen. Het zal best kloppen dat rond 1800 in Zwolle die-en-die toneelvoorstellingen zijn geweest, zo-en-zoveel is betaald voor een begrafenis.

Hoewel: ik geloof niet dat Gelderse voerlieden toen het jiddische woord “attenoje” in de mond namen, viswijven anisette gebruikten, iedereen maar overal in de trekschuit kon gaan zitten waar hij wou, er in 1793 Franse soldaten in Zwolle waren, en zo nog heel wat meer. Wie daar in dit geval op gaat letten, is een kniesoor. Het is, om een wat merkwaardige uitdrukking van Jongstra te gebruiken, zoiets als een stad “platgooien met kanonskogels” [p. 91] - iets waartoe men heeft men een biceps nodig heeft als die van Anton Geesink of Sharon Dijksma. Het is dus best mogelijk op te merken dat die-en-die tekening niet van Fix is, maar van Andriessen; die kop die wantrouwen uitdrukt, feitelijk uit Le Brun gehaald is; enzovoorts. Gaat u maar spoorzoeken. Vraagt u zich meteen maar af waarom Henry II Ford mogelijk verwantschap vertoont met Fix.

Nee, iets anders is: die Fix die zo geniaal zou moeten zijn; die zijn tijdgenoten ver vooruit is; die Fix met zijn Kierkegaard-hoed; die Fix die... die Fix is eigenlijk nogal ouderwets. Helemaal geen eind-achttiende-eeuws genie, à la Humbert de Superville (die miste ik tot mijn leedwezen). Integendeel, hij leest en voelt als een dan zelfs in Zwolle allang antikwarisch geworden type uit het begin van die eeuw. Fix denkt namelijk nog in Leibnitziaanse termen over de wereld. Die is ‘de beste aller werelden’. Daarbij hoort zijn aandacht, en die van zijn omgeving, voor curiosa en rariteiten, behorend bij de naturaliënkabinetten uit een eerder verzamelaarstijdperk, als gezonken cultuurgoed nog goed voor burgermansnieuwsgierigheid op kermissen. Fix gelooft nog in in de fysiocotheologie; en zo gelooft hij nog veel meer wat in zijn tijd alleen nog de gewone burgerman geloofde. Hij denkt eigenlijk in statische termen, Fix.
Fix is zeker niet op de hoogte van de problemen die de neologie met zich meebrengt, ook in Zwolle. Hij weet niets van de discussie over de inhoud van wat christendom is (Feith althans kan zich tenminste nog druk maken op de volgens hem kwalijke gevolgens van wat Kant opmerkt over God). Fix heeft geen idee van welke maatschappelijke hartstochten er decennia schuilgingen achter de juist in Nederland zo levende revolutionaire bewegingen. Fix constateert iets over patriotten, en over Franse bezetters, en dat is dat. Fix vertoont geen soort denken dat men in de romantische natuurfilosofie en een aantal verwant terreinen terugvindt; hij weet niets van...

Eerlijk gezegd denk ik dat Fix’ schepper zijn historische en culturele kennis van het tijdvak, als het niet gaat om postkoetsen en dildo’s en curiosa, een beetje baseert op het soort schoolboekjes waar ook Balkenende zijn historische kennis uithaalt; en waaruit ook Maarten ’t Hart put als hij schrijft over het psalmenoproer in Maassluis in de achttiende eeuw. In het laatste geval beginnen die Maasluissenaars er plots taal uit te slaan die verdacht veel lijkt op de taal van, zeg, de synodalen uit de zestiende eeuw. Dat allemaal is het gevolg van de in brede lagen van onze bevolking aangehangen visie, dat je eerst Willem van Oranje en Balthasar Geeraerts hebt, en dat de volgende avond de Franse ‘bezetter’ voor de deur staat. Het is de visie van al diegenen die zich nooit hebben kunnen onttrekken aan de invloed die het lezen van De zangers van de prins op hen gehad heeft.

Het lijkt hier dan ook volstrekt onontkoombaar dat het familiekapitaal-Fix ontstaat tijdens de tulpenhandel uit de zeventiende eeuw, en niet tijdens soortgelijke financiële toestanden in de achttiende eeuw. Welhaast was dus die oudere Fix verwant geweest aan burgemeester Six; maar gelukkig zijn we ontkomen aan Rembrandt, Frans Hals, de Muiderkring en zo nog wat verplichte stoffering.

Nu ja. In dit opzicht vertoont het boek dus enige verwantschap met de recente canon door onze historici opgesteld; waarin het tijdvak 1670-1830 gekarakteriseerd wordt door grote buitenhuizen aan de Vecht, en door Napoleon.

Ik zal me verder niet uitlaten over de leuke aspecten van dit genre van de historische collage. Leest u rustig... en val niet dood, zoals Fix’ moeder, toen zij voor het eerst een bril opzette en eindelijk haar zoon te zien kreeg. - Die scène: heb ik die elders niet eerder gelezen? Dit soort zaken uit te zoeken laat ik aan anderen, meer bedreven in de Attelogie.

Geen opmerkingen: